ECLI:NL:RVS:2019:3206
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verblijfsgat leidt tot afwijzing naturalisatieverzoek ondanks beroep op bijzondere omstandigheden
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees het naturalisatieverzoek van appellant sub 2 af vanwege een verblijfsgat van 1 tot 13 december 2016, waardoor niet voldaan werd aan de vereiste van onafgebroken toelating en hoofdverblijf in Nederland. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep gegrond en oordeelde dat het verblijfsgat van louter formele aard was, en dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom geen toepassing van artikel 10 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) gerechtvaardigd was.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl appellant sub 2 incidenteel hoger beroep instelde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde de zaak en oordeelde dat het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond is en het incidenteel hoger beroep van appellant sub 2 ongegrond. De Afdeling bevestigde dat het verblijfsgat juridisch vaststaat en dat de staatssecretaris terecht geen bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 10 RWN Pro heeft aangenomen.
De Afdeling benadrukte dat de beoordelingsvrijheid van de staatssecretaris bij toepassing van artikel 10 groot Pro is en dat de omstandigheden van appellant sub 2, zoals haar functie als rijksambtenaar en de verblijfsstatus van haar kinderen, onvoldoende bijzonder zijn om af te wijken van de wettelijke voorwaarden. De uitspraak van de rechtbank Limburg werd vernietigd en het beroep tegen het besluit van 12 juni 2017 werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het naturalisatieverzoek wordt ongegrond verklaard vanwege het verblijfsgat en het ontbreken van bijzondere omstandigheden.