Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1973 en van Guinese nationaliteit, eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
11. De rechtbank heeft partijen ter zitting voorgehouden dat haar beoordeling in de onderhavige zaak verder strekt dan het toetsen van het besluit aan de expliciet aangevoerde gronden. De rechtbank heeft toegelicht dat zij zich daardoor niet alleen bevoegd maar ook gehouden acht om zodoende een volledig en ex nunc onderzoek te kunnen verrichten naar de vraag of eiser internationale bescherming behoeft. De rechtbank heeft partijen aangegeven dat zij kenbaar kunnen maken wat hun standpunt hierover is. De rechtbank overweegt dat deze verderstrekkende beoordeling, anders dan verweerder heeft aangegeven, niet buiten de omvang van het geding plaatsvindt. Het geding gaat immers nu juist over de vraag of eiser slachtoffer is geworden van een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en hierdoor bij terugkeer heeft te vrezen voor wederom een schending.
De rechtbank acht zich bij deze werkwijze gesteund door de conclusie van 17 mei 2018 van A-G Mengozzi in zaak Alheto, C-585/16 (ECLI:EU:C:2018:327)
5. Het hoger beroep is alleen al daarom kennelijk gegrond. Wat de staatssecretaris voor het overige aanvoert, behoeft geen bespreking. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om de zaak met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, naar de rechtbank terug te wijzen, zodat zij in deze zaak het arrest Alheto van 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:584, en de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2073, over nieuwe asielmotieven kan betrekken en kan beoordelen of en, zo ja, welke gevolgen die hebben voor deze zaak. “
omdatAG Mengozzi in zijn conclusie hier overwegingen aan heeft gewijd. De rechtbank heeft dit onderzoek verricht omdat moet worden beoordeeld of eiser behoefte aan bescherming heeft en of terugkeer naar het land van herkomst een reëel en voorzienbaar risico op schending van artikel 3 EVRM Pro met zich brengt. De rechtbank is daarbij ingegaan op alle verklaringen die eiser sinds zijn eerste asielaanvraag heeft afgelegd en de beoordeling daarvan door verweerder. De rechtbank heeft dit onderzoek verricht en heeft daarbij gewezen op de conclusie
ter illustratiedat een AG die het Hof van Justitie adviseert tot een -naar het oordeel van de rechtbank -verglijkbare redenering komt. Wat hier ook van zij, voor zover de Afdeling aan de rechtbank heeft meegegeven om het arrest Alheto en haar eigen jurisprudentie te betrekken bij de onderhavige uitspraak om de nieuw opgekomen asielmotieven te betrekken zal de rechtbank dit niet doen. Er is immers in het geheel geen sprake van nieuw opgekomen asielmotieven. In de door de Afdeling vernietigde uitspraak van de rechtbank is dan ook op geen enkel moment aan de orde gesteld dat sprake zou zijn van nieuw opgekomen asielmotieven. Eiser beroept zich ook in 2021 nog steeds op de asielmotieven zoals hij die in 29 mei 2001 kenbaar heeft gemaakt aan verweerder.
- brief van Vluchtelingen in de Knel van 21 februari 2017;
- certificat de residence nr. 13 1 22 4 /024;
- certificat de nationalite nr. 02/CAB/P/TPI/K2017 van 3 januari 2017;
- extrait du registre de l’etat civiel (naissance), nr. 017, van 3 januari 2017 + de bijbehorende uitspraak van de Tribubal de premiere instance de Kindia (de Jugement Suppletif);
- brief van Psychotraumacentrum Zuid-Nederland van 27 juli 2015 met daarin het psychodiagnostisch rapport van eiser van 18 februari 2015;
- onderzoeksrapport van [naam] van 5 januari 2017;
- brief van vluchtelingenwerk van 8 juli 2016 “Guinee – aanvallen rebellen grensgebied Sierra-Leone”;
- IMMO-rapportage van 21 juni 2016.
- Brief Amnesty International van 16 januari 2020;
- Brief UNHCR over juridisch kader beoordeling asielaanvraag eiser, 18 juni 2020;
- Bewijsnood, wanneer nationaliteit en identiteit ongeloofwaardig worden bevonden, Amnesty International, november 2020.
op geen enkele wijzeleunt op de conclusie van AG Hogan van 11 februari 2021 (ECLI:EU:C:2021:117) omdat dit immers slechts een advies aan het Hof van Justitie is en het Hof niet bindt. De rechtbank heeft op 16 december 2019 prejudiciële vragen gesteld juist omdat de rechtbank uit eigen beweging twijfelde aan de uitleg van het Unierecht op dit punt (ECLI:NL:RBDHA:2019:13451).
79. Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch als volgt te beantwoorden:
omdatde AG vergelijkbaar redeneert.
in onderlinge samenhang en tegelijkertijdmet het medische steunbewijs te beoordelen. Verweerder heeft de gestelde martelingen in deze procedure inmiddels geloofwaardig geacht zodat daarom thans geen contra-expertise meer nodig is. De rechtbank is het wel met eiser eens dat verweerder bij de beoordeling van het relaas van eiser over zijn herkomst kenbaar de mate van begaafdheid en de aanwezigheid van een PTSS moet betrekken.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak te nemen op de met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
- € 3.427,50.