ECLI:NL:RVS:2019:2645
Raad van State
- Hoger beroep
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- H.G. Sevenster
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vergunning energielaadpunt als aanvullende voorziening op verzorgingsplaats niet onrechtmatig
Bij besluit van 7 januari 2014 verleende de minister een vergunning aan een vergunninghoudster voor het plaatsen van een energielaadpunt als aanvullende voorziening bij een benzinestation op verzorgingsplaats Den Ruygen Hoek-West. Fastned, exploitant van een snellaadstation op dezelfde verzorgingsplaats, maakte bezwaar tegen deze vergunning. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk, waarna de rechtbank Amsterdam dit besluit vernietigde en zelf het bezwaar ongegrond verklaarde. Fastned stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het bezwaar ongegrond verklaarde onder toepassing van het relativiteitsvereiste, dat niet geldt in de bezwaarfase. Tevens werd vastgesteld dat artikel 3 van Pro de Wet beheer rijkswaterstaatwerken (Wbr) mede het belang van Fastned beschermt. Het hoger beroep werd daarom gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover het bezwaar ongegrond werd verklaard.
Inhoudelijk oordeelde de Afdeling dat de vergunning voor het energielaadpunt als aanvullende voorziening terecht was verleend. Fastned had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het energielaadpunt ondoelmatig of onveilig was. De Afdeling ging niet in op het beleid omtrent energielaadpunten als basisvoorziening, omdat dit niet ter beoordeling stond. Ook werden de bezwaren van Fastned tegen strijd met de Dienstenrichtlijn en artikel 106 VWEU Pro verworpen. Het beroep tegen het besluit van 18 december 2018 werd ongegrond verklaard.
De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van het hoger beroep en Fastned kreeg het griffierecht terugbetaald.
Uitkomst: Het hoger beroep van Fastned wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover het bezwaar ongegrond werd verklaard, en het beroep tegen het besluit van 18 december 2018 ongegrond verklaard.