ECLI:NL:RVS:2019:2405
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- E. Steendijk
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunningen gezinsleden na fraude vader met beoordeling belangenafweging
De zaak betreft het hoger beroep tegen de intrekking van verblijfsvergunningen van de moeder en zoon, die verkregen zijn in het kader van gezinshereniging met de vader. De vader had zijn verblijfsvergunningen frauduleus verkregen via een schijnconstructie, waarna de staatssecretaris de vergunningen van de moeder en zoon met terugwerkende kracht introk wegens fraude.
De Raad van State verwijst naar een prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie EU, waarin is vastgesteld dat intrekking van verblijfsvergunningen gerechtvaardigd is ook als gezinsleden niet op de hoogte waren van de fraude, mits een individuele belangenafweging plaatsvindt conform artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn. De staatssecretaris had deze belangenafweging niet volledig en evenwichtig uitgevoerd, met name wat betreft de moeder en zoon.
De Raad oordeelt dat de intrekking van de verblijfsvergunning van de zoon onterecht is omdat zijn langdurig verblijf, opleiding en sociale banden onvoldoende zijn meegewogen. Voor de moeder geldt dat de intrekking eveneens onterecht is vanwege het ontbreken van een juiste belangenafweging. Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt deels gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen deels gegrond, en de uitspraak van de rechtbank wordt deels bevestigd en deels vernietigd. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Intrekking verblijfsvergunningen moeder en zoon bevestigd wegens fraude vader, maar intrekking moeder vernietigd wegens onvoldoende belangenafweging.