ECLI:NL:RBDHA:2020:7668
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens achterhouden informatie tijdens nareisprocedure
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot intrekking van zijn verblijfsvergunning en die van zijn minderjarige kinderen, vanwege het achterhouden van informatie tijdens de nareisprocedure. De intrekking is gebaseerd op het feit dat eiser in 2012 in Egypte herenigd is met zijn eerste echtgenote, wat hij niet heeft gemeld uit vrees dat zijn kinderen niet zouden mogen nareizen bij zijn tweede echtgenote.
De rechtbank constateert dat eiser niet betwist dat hij informatie heeft achtergehouden, maar wel dat dit tot afwijzing van de aanvraag zou hebben geleid. De rechtbank volgt dit betoog niet, mede vanwege de scheiding van eiser en zijn tweede echtgenote kort na aankomst in Nederland en het voortgezet gezinsleven met zijn eerste echtgenote.
Ten aanzien van de kinderen is betoogd dat verweerder ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt. De rechtbank oordeelt dat verweerder een evenwichtige en redelijke belangenafweging heeft gemaakt, waarbij onder meer is meegewogen dat het hele gezin gezamenlijk kan terugkeren naar Somalië en dat de kinderen zich gelet op hun leeftijd kunnen aanpassen. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunningen wordt ongegrond verklaard.