ECLI:NL:RVS:2018:39
Raad van State
- Hoger beroep
- D.J.C. van den Broek
- Rechtspraak.nl
Bevestiging oplegging Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer ondanks bezwaar appellant
Het CBR legde aan appellant een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA) op naar aanleiding van een schriftelijke mededeling van de politie over het vermoeden dat appellant niet langer voldeed aan de rijvaardigheidseisen. Appellant maakte bezwaar en stelde dat het besluit onzorgvuldig was omdat hij niet over alle stukken beschikte en dat de EMA een strafrechtelijke sanctie is, waardoor sprake zou zijn van dubbele bestraffing in strijd met het ne bis in idem-beginsel.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant over alle stukken beschikte en dat het opleggen van een EMA geen strafrechtelijke sanctie is. In hoger beroep betoogde appellant dat hij niet tijdig over de stukken beschikte en dat het EMA wel degelijk een criminal charge is. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het CBR voldoende stukken had verstrekt, dat het bestuursorgaan mocht uitgaan van de juistheid van het proces-verbaal en dat appellant de rechtmatigheid van het proces-verbaal in bezwaar had kunnen aanvechten.
Verder verwierp de Afdeling het betoog dat het EMA een strafrechtelijke sanctie is en dat sprake zou zijn van dubbele bestraffing. Het EMA is een bestuurlijke maatregel en niet punitief van aard. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het vonnis van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het besluit tot oplegging van de EMA is bevestigd.