ECLI:NL:RVS:2022:1117
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschiktheid rijbewijs na alcoholgebruik op scooter
Appellante kreeg van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) een onderzoek naar haar alcoholgebruik opgelegd en haar rijbewijs geschorst nadat de politie meldde dat zij op 7 november 2021 onder invloed van alcohol een scooter had bestuurd. Appellante betwistte dit en stelde dat zij met de scooter aan de hand liep op het fietspad.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Appellante ging in hoger beroep bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het CBR terecht mocht uitgaan van de waarneming van de verbalisant dat appellante de scooter bestuurde, ondanks enkele onregelmatigheden in het proces-verbaal.
Verder oordeelde de Afdeling dat het CBR appellante ten onrechte niet had gehoord in de bezwaarprocedure, maar dat dit gebrek niet tot vernietiging van het besluit leidde omdat appellante alsnog haar standpunten mondeling kon toelichten en daardoor niet in haar belangen was geschaad. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en het verzoek om schadevergoeding verworpen. Het CBR werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante tegen het CBR-besluit tot onderzoek en schorsing rijbewijs wordt ongegrond verklaard.