ECLI:NL:RVS:2018:2919
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling huurtoeslag 2015 en de beoordeling van schade-uitkering als vermogen
De Belastingdienst stelde de huurtoeslag van de belanghebbende voor 2015 definitief vast op nihil vanwege een overschrijding van het heffingvrije vermogen, mede door een schade-uitkering aan een medebewoner.
De rechtbank oordeelde dat deze schade-uitkering buiten beschouwing had moeten blijven op grond van artikel 47 Awir Pro en artikel 9 van Pro de Uitvoeringsregeling Awir, waarbij zij zich baseerde op een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak.
De Belastingdienst stelde hoger beroep in en voerde aan dat artikel 9 van Pro de Uitvoeringsregeling Awir een limitatieve opsomming bevat en dat de schade-uitkering niet gelijkgesteld kan worden aan de inboedel zoals bedoeld in de Wet IB 2001.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de schade-uitkering buiten beschouwing had gelaten, omdat de wetgever een gesloten stelsel heeft beoogd en de bevoegdheid tot buiten beschouwing laten beperkt is tot de in artikel 9 genoemde Pro gevallen.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de Belastingdienst ongegrond, waarmee het besluit van 7 februari 2017 werd bekrachtigd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de belanghebbende ongegrond, waarbij de schade-uitkering niet buiten beschouwing mag blijven bij de vermogenstoets voor huurtoeslag.