ECLI:NL:RVS:2017:2937
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van terugvordering huurtoeslag wegens voordeel uit sparen en beleggen
De Belastingdienst/Toeslagen heeft de huurtoeslag van appellant over 2014 definitief vastgesteld op nihil en het betaalde voorschot van €2.499 teruggevorderd, omdat haar vermogen het heffingvrije vermogen overschreed, wat volgens de wet het recht op huurtoeslag uitsluit. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Appellant voerde aan dat het voordeel uit sparen en beleggen verminderd met persoonsgebonden aftrek bepalend zou moeten zijn voor het recht op huurtoeslag, en dat de vermogenstoets in de Awir onrechtmatig discrimineert tussen box 3 en box 1 en 2 vermogen. De Afdeling oordeelde dat de Belastingdienst de aanslag inkomstenbelasting moet volgen en dat de vermogenstoets in artikel 7, derde lid, van de Awir een redelijke en objectieve rechtvaardiging kent, waardoor het discriminatieverweer faalt.
Verder wees de Afdeling het beroep op de hardheidsclausules in de Awir en AWR af, omdat geen onbillijkheid van overwegende aard is vastgesteld. Ook het beroep op algemene rechtsbeginselen en het verzoek om toepassing van twee peildata werd verworpen. De Afdeling bevestigde dat terugvordering verplicht is en dat verrekening niet appellabel is. Het verzoek tot horen werd eveneens afgewezen omdat er geen redelijke twijfel bestond dat het bezwaar tot een ander besluit zou leiden.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de huurtoeslag bevestigd.