ECLI:NL:RVS:2018:2679
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Helder
- F.D. van Heijningen
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen omgevingsvergunning voor verbreding dam en hek in Zoeterwoude
Het college van burgemeester en wethouders van Zoeterwoude verleende op 2 oktober 2014 een omgevingsvergunning aan vergunninghouder voor het verbreden van een dam en het plaatsen van een hek op een perceel in Zoeterwoude. Appellanten, wonend nabij het perceel, maakten bezwaar tegen dit besluit en stelden dat het college onterecht de vergunning had verleend. De rechtbank verklaarde de beroepen deels niet-ontvankelijk en ongegrond, maar kende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep betoogden appellanten dat de vergunning onrechtmatig was verleend, onder meer omdat de aanvraag onvolledig was en de verkeersveiligheid in het geding was. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat appellanten belanghebbenden zijn en dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat er geen onlosmakelijke samenhang bestond tussen de dam en een ontsluitingsweg. Ook werd geoordeeld dat de verkeerskundige beoordeling voldoende was gemotiveerd en dat de overschrijding van de redelijke termijn aan het bestuursorgaan toerekenbaar was.
De Afdeling vernietigde het deel van de uitspraak waarin de rechtbank het college veroordeelde tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan vergunninghouder, omdat deze niet was aangevraagd en de rechtbank niet bevoegd was dit ambtshalve toe te kennen. Het hoger beroep van appellanten werd ongegrond verklaard, dat van het college gegrond, en de overige uitspraken van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellanten wordt ongegrond verklaard, het hoger beroep van het college gegrond en de schadevergoeding aan vergunninghouder vernietigd.