ECLI:NL:RVS:2018:1793
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G. van der Wiel
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid asielaanvraag wegens internationale bescherming in Bulgarije
De vreemdeling, van Syrische nationaliteit, had in Bulgarije internationale bescherming verkregen en vroeg in Nederland een verblijfsvergunning asiel aan. De staatssecretaris verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000, omdat de vreemdeling al bescherming geniet in een andere EU-lidstaat en een zodanige band met Bulgarije heeft dat het redelijk is daarheen terug te keren.
De rechtbank bevestigde dit besluit en oordeelde dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat terugkeer naar Bulgarije zou leiden tot een situatie die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. De vreemdeling stelde dat statushouders in Bulgarije geen toegang hebben tot sociale voorzieningen en leefden in erbarmelijke omstandigheden, maar de rechtbank vond dit niet overtuigend.
In hoger beroep heeft de Afdeling bestuursrechtspraak dit oordeel bevestigd. De Afdeling overwoog dat statushouders in Bulgarije dezelfde rechten hebben als Bulgaarse staatsburgers, ook al is de feitelijke toegang tot voorzieningen moeilijk. Er is geen sprake van een situatie van 'official indifference' die een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren. De vreemdeling had onvoldoende inspanningen verricht om zijn rechten in Bulgarije te effectueren.
De Afdeling zag geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag bevestigd.