ECLI:NL:RVS:2017:3608
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.B.M. Hent
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning kennismigrant niet in strijd met evenredigheidsbeginsel
De staatssecretaris heeft bij besluit van 23 maart 2016 de verblijfsvergunning van de vreemdeling ingetrokken omdat deze niet meer werkzaam was bij een erkend referent. De vreemdeling was na een reorganisatie tijdelijk in dienst bij een dochteronderneming die nog niet erkend was als referent. Nadat deze erkenning werd verkregen, trad de vreemdeling weer in dienst bij die dochteronderneming.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking onzorgvuldig was gemotiveerd en dat de nadelige gevolgen voor de vreemdeling onevenredig waren ten opzichte van het doel van het besluit, waardoor het besluit werd vernietigd. De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat het belang van het referentenstelsel zwaarder weegt en dat de vreemdeling mede verantwoordelijk was voor de situatie.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de intrekking onevenredig was. De staatssecretaris heeft in hoger beroep de nadelige gevolgen van de intrekking alsnog betrokken en gemotiveerd dat deze niet onevenredig zijn. De intrekking dient het doel van een sluitend referentenstelsel en het voorkomen van misbruik van de kennismigrantenregeling.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover het het besluit herroept, en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het intrekkingsbesluit in stand blijven. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunning wordt in stand gelaten omdat deze niet onevenredig is in verhouding tot het doel van het referentenstelsel.