Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[naam] (eiser)
[naam](V-nummer [V-nummer]) en
[naam](V-nummer [V-nummer]),
Rechtbank Den Haag
Eisers, waaronder een kennismigrant en zijn gezin, hebben beroep ingesteld tegen besluiten van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin hun verblijfsvergunningen zijn ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 2019 en een aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is afgewezen.
De intrekking was gebaseerd op het feit dat eiser sinds 1 mei 2019 niet meer in dienst was bij de referent Cargill B.V. en niet binnen drie maanden een nieuwe functie als kennismigrant had gevonden. Eisers voerden aan dat eiser werkzaamheden had verricht voor een kerkgenootschap dat geen erkend referent is en dat de intrekking met terugwerkende kracht onrechtmatig en onevenredig zou zijn.
De rechtbank oordeelt dat de intrekking met terugwerkende kracht niet onrechtmatig of onredelijk is en dat de regelgeving en jurisprudentie geen beperking stellen dat intrekking alleen bij fraude of opzet is toegestaan. Ook is vastgesteld dat het kerkgenootschap geen erkend referent is en niet aan de voorwaarden is voldaan.
Verder is de aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen terecht afgewezen omdat eiser niet voldeed aan de inkomenseis. De verblijfsvergunningen van eiseres en de kinderen zijn terecht ingetrokken omdat hun verblijfsrecht afhankelijk is van dat van eiser. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De beroepen tegen de intrekking met terugwerkende kracht van de verblijfsvergunning en de weigering van de EU-verblijfsvergunning zijn ongegrond verklaard.