ECLI:NL:RVS:2017:3022
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en toekenning proceskostenvergoeding na intrekking toevoeging alimentatieprocedure
De zaak betreft een geschil over de hoogte van de proceskostenvergoeding die [appellante] toekomt na intrekking van een eerder verleende toevoeging voor een alimentatieprocedure door de raad voor rechtsbijstand. De rechtbank Oost-Brabant had de vergoeding vastgesteld op een relatief laag bedrag met toepassing van een wegingsfactor "zeer licht" (0,25).
In hoger beroep betoogde [appellante] dat de vergoeding onvoldoende was gelet op de verrichte werkzaamheden, waaronder het bespreken van besluiten, verzamelen en beoordelen van gegevens en het onderhouden van contact gedurende de procedure. De raad stelde dat de bezwaarprocedure slechts feitelijke en financiële argumenten betrof en dat de wegingsfactor "zeer licht" passend was.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de lage wegingsfactor had toegepast, omdat de behandeling van de zaak in beginsel tot de categorie "gemiddeld" behoort, tenzij duidelijke redenen anders aangeven. Ook bij de beroepsprocedure was de toegepaste wegingsfactor te laag. De Afdeling stelde daarom de proceskostenvergoeding voor bezwaar vast op €495,00 (wegingsfactor 1) en voor beroep op €247,50 (wegingsfactor 0,5). Tevens werd het betaalde griffierecht vergoed.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover deze de lagere vergoedingen had vastgesteld en de nieuwe bedragen traden in de plaats daarvan. Hiermee werd de vergoeding in overeenstemming gebracht met de verrichte werkzaamheden en de toepasselijke beleidsregels.
Uitkomst: De Raad van State stelt de proceskostenvergoeding voor bezwaar en beroep hoger vast en veroordeelt de raad tot vergoeding van griffierecht.