ECLI:NL:RVS:2016:423
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtspositie bij discretionaire verblijfsvergunning na burgemeestersbrief
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie reageerde op een brief van de burgemeester van Amsterdam waarin werd verzocht om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid om aan vreemdelingen een verblijfsvergunning te verstrekken. De staatssecretaris wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar van de vreemdelingen niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat tegen de reactie van de staatssecretaris op de burgemeestersbrief geen bezwaar openstaat omdat de burgemeester geen belanghebbende is en de reactie geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht vormt. Ook het betalen van leges en het verschil in ingangsdatum van de vergunning rechtvaardigen geen ander oordeel.
Verder oordeelde de Afdeling dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het bezwaar niet kennelijk niet-ontvankelijk was en dat de vreemdelingen gehoord hadden moeten worden. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de reactie van de staatssecretaris is niet-ontvankelijk.