ECLI:NL:RVS:2016:3146
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende risico op schending artikel 3 EVRM
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 3 februari 2015 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling toetste het besluit en oordeelde dat de staatssecretaris terecht aannam dat de terugkeer van de vreemdeling naar de subwijk Tawakel in Mogadishu en de gestelde gedwongen uithuwelijking niet geloofwaardig waren. Ook was het niet aannemelijk dat de vreemdeling een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro, mede omdat zij niet onbegeleid hoeft te verblijven en bescherming kan inroepen van haar stiefvader.
Verder oordeelde de Afdeling dat het risico op herkenning door Al-Shabaab en verdenking van spionage onvoldoende aannemelijk is. De vreemdeling voerde ook aan risico te lopen vanwege haar etnische afkomst (Reer Hamar), maar dit werd verworpen op basis van ambtsberichten. De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning gehandhaafd.