ECLI:NL:RVS:2016:2112
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering urgentieverklaring voor woningzoekende met kinderen
In deze zaak verzocht een alleenstaande moeder, wonend in Amsterdam, om een urgentieverklaring voor woningzoekenden. Het college weigerde deze verklaring op grond van de regionale huisvestingsverordening, waarna de rechtbank deze weigering bevestigde. De moeder was in 2012 dakloos geworden en had haar kinderen tijdelijk naar familie in Ghana gestuurd. Op het moment van het besluit woonden de kinderen weer in Nederland, maar de voorzieningenrechter toetst het beroep aan de feiten en het recht ten tijde van het besluit in juli 2015.
De moeder stelde dat zij en haar kinderen als gezin als dakloos moesten worden aangemerkt en dat zij voldeed aan de voorwaarden voor urgentie. Het college stelde dat zij niet voldeed aan de criteria, waaronder de eis van onafgebroken inschrijving in de gemeente. De rechtbank oordeelde dat het college terecht het belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling zwaarder mocht laten wegen dan het individuele belang van de moeder.
Verder voerde de moeder aan dat het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven (artikel 8 EVRM Pro) en internationale verdragsbepalingen een positieve verplichting tot het toekennen van urgentie met zich meebrengen. De Raad van State bevestigde dat het college een afweging mocht maken tussen individuele belangen en het algemeen belang van woonruimteverdeling, waarbij het tekort aan betaalbare woningen en het beperkte aantal urgentieverklaringen een zwaarwegend belang vormen.
De Raad van State concludeerde dat de aangevallen uitspraak terecht was en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van het college om een urgentieverklaring toe te kennen en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.