ECLI:NL:RVS:2016:1625
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen inwilliging verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling had beroep ingesteld tegen een besluit van de staatssecretaris waarin hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd werd verleend. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat de vreemdeling geen belang had bij het beroep, aangezien de vergunning al was toegekend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000.
De vreemdeling stelde dat de vergunning niet op deze grond, maar op een andere grond (artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a) was verleend en dat hij daarom wel belang had bij het beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat een besluit tot verlening van een verblijfsvergunning niet in rechte onaantastbaar wordt voor zover het betreft de gronden waarop de vergunning niet is verleend.
Echter ontstaat belang bij beroep pas als de vergunning wordt ingetrokken of niet verlengd. De Afdeling bevestigde dat de rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat de vreemdeling op dit moment geen belang heeft bij het aanvechten van de motivering van het besluit. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen de verblijfsvergunning wordt bevestigd.