Uitspraak
201000160/1/H3), dat een persoon aan wie een tijdelijk huisverbod is opgelegd dat is geëindigd ten tijde van de toetsing daarvan door de rechter, nog een rechtens te beschermen belang heeft bij beoordeling van de rechtmatigheid van dit besluit.
200901869/1/H3), dat als de uithuisgeplaatste na oplegging of verlenging van het huisverbod een aanbod tot hulpverlening heeft aanvaard, dit een indicatie is dat de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan mogelijk niet langer bestaat. Bij de beoordeling of die dreiging of het vermoeden daarvan daadwerkelijk niet langer bestaat, is van belang of de uithuisgeplaatste inmiddels een reële aanvang met de hulpverlening heeft gemaakt en of de verwachting gerechtvaardigd is dat hij aan de hulpverlening blijft meewerken.
200904347/2/H3), overweegt de Afdeling dat een besluit tot de oplegging van een huisverbod en een verlengingsbesluit geen criminal charge en niet punitief van aard zijn. Daarbij verwijst de Afdeling naar de considerans van de Wth, waarin is neergelegd dat de maatregel kan worden opgelegd teneinde de veiligheid van personen met wie een huishouden wordt gedeeld te waarborgen en een periode te creëren, waarin maatregelen kunnen worden genomen om de dreiging van huiselijk geweld te doen wegnemen. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat er geen strijd is met artikel 6 van Pro het EVRM.