Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
5 december 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag of het opleggen van een huisverbod op grond van de Wet tijdelijk huisverbod een punitieve sanctie vormt die het Openbaar Ministerie zou moeten beletten strafrechtelijk te vervolgen voor hetzelfde feit. De verdachte was op 17 maart 2015 veroordeeld voor mishandeling en had op diezelfde datum een huisverbod opgelegd gekregen.
De verdediging voerde aan dat het huisverbod een bestraffend karakter heeft, vergelijkbaar met het alcoholslotprogramma, en dat het OM daarom niet ontvankelijk zou moeten zijn in de strafvervolging. Het hof verwierp dit verweer en bevestigde dat het huisverbod primair een beschermende en preventieve maatregel is, bedoeld om escalatie te voorkomen en een afkoelingsperiode te creëren.
De Hoge Raad onderschreef deze visie en benadrukte dat het huisverbod geen 'criminal charge' is in de zin van artikel 6 EVRM Pro. De bestuursrechtelijke maatregel en de strafrechtelijke vervolging zijn niet zodanig vergelijkbaar dat sprake is van dubbele bestraffing. Daarmee is het OM ontvankelijk gebleven in de vervolging. Het beroep van de verdachte werd verworpen.
Uitkomst: Het huisverbod is geen straf en het OM blijft ontvankelijk in de strafvervolging ondanks het huisverbod.