ECLI:NL:RVS:2013:2081
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling weigering verblijfsvergunning wegens openbare orde en artikel 8 EVRM belangenafweging
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 18 december 2007 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af wegens herhaald gepleegde ernstige misdrijven door de vreemdeling. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen met inachtneming van de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat het eerdere besluit onvoldoende gemotiveerd was, met name omdat niet was besproken dat de vreemdeling bij tijdige aanvraag mogelijk een verblijfsvergunning had gekregen en dat de openbare orde zwaarder weegt dan het privé- en gezinsleven. De vreemdeling had sterke banden met Nederland, maar de staatssecretaris benadrukte het ontbreken van meer dan normale emotionele banden met pleegouders en het feit dat de vreemdeling meerderjarig was en zich in Indonesië zou kunnen handhaven.
De Raad van State oordeelde dat het besluit van 17 juli 2008 deugdelijk was gemotiveerd en dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro correct was uitgevoerd. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de weigering van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.