Uitspraak
201101161/1/H2) mag van het horen slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden.
201100343/1/H2), vloeit uit het bepaalde in artikel 16, eerste lid, gelezen in samenhang met het vierde en vijfde lid, en artikel 24, tweede lid, gelezen in samenhang met het derde lid, van de Algemene wet inzake inkomensafhankelijke regelingen voort dat aan de verlening van een voorschot van - in dit geval - zorgtoeslag geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat. Het voorschot wordt slechts verleend tot het vermoedelijke bedrag van de tegemoetkoming en die voorschotverlening kan worden herzien. De voorschotten worden ook verrekend met de definitieve tegemoetkoming, hetgeen eveneens kan leiden tot een terugvordering. De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat de Belastingdienst zich in dit verband terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij niet is gehouden een eenmaal gemaakte fout te herhalen. Ook overigens is niet aannemelijk gemaakt dat door de Belastingdienst een gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt. Het betoog faalt.