Uitspraak
200604884/1niet op.
200604884/1terecht overwogen dat aan de door [appellant] in bezwaar overgelegde door [persoon B] en [persoon C] ondertekende verklaringen van onderscheidenlijk 1 en 2 oktober 2009, volgens welke [persoon A] geen arbeid of werkzaamheden heeft verricht, geen beslissende betekenis toekomt, reeds omdat deze anders dan de eerdere verklaringen niet onmiddellijk ten overstaan van de inspecteurs zijn afgelegd. De minister hoefde daarom aan die verklaringen niet de waarde te hechten die [appellant] eraan gehecht wil zien. [appellant] heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de eerdere verklaringen niet tot bewijs mogen dienen.
200901144/1/V6volgt uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM; onder meer Salabiaku tegen Frankrijk, arrest van 7 oktober 1988, nr. 10519/83, NJ 1991/351) dat het niet in strijd met voormeld beginsel is indien een wettelijke regeling uitgaat van verwijtbaarheid, doch die veronderstelling weerlegbaar is en met de betrokken belangen van de overtreder rekening wordt gehouden. Voorts heeft het EHRM het aanvaardbaar geacht dat de last de verwijtbaarheid te weerleggen bij de overtreder wordt gelegd, zelfs wanneer dat niet eenvoudig is (Janosevic tegen Zweden, arrest van 23 juli 2002, nr. 34619/97, RJ&D EHCR 2002-88).
200704906/1) wordt in situaties waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt, van boeteoplegging afgezien. Daartoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij de maximale van hem te vergen zorg heeft betracht ter voorkoming van de overtreding. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.
200606434/1. Ook afgezien daarvan valt niet in te zien dat door een fout van de boekhouder de overtreding [appellant] verminderd verwijtbaar is. Hierbij acht de minister van belang dat [appellant] had kunnen weten dat het minimumloon niet alleen halfjaarlijks wordt geïndexeerd, maar ook met het stijgen van de leeftijd van de werknemer zal toenemen. Van [appellant] moet kunnen worden gevergd dat hij het bruto maandloon waarop [persoon D] op grond van de Wmm aanspraak maakt, kan berekenen. [appellant] had volgens de minister de fout van de boekhouder dan ook moeten onderkennen. De rechtbank heeft ten onrechte de boete van € 3.700,00 met 80% gematigd zonder daarvoor een nadere motivering te geven. De minister acht de aangevallen uitspraak op dit punt daarom onvoldoende gemotiveerd.