Uitspraak
200406332/1), dient bij het nemen van een besluit op bezwaar in beginsel het recht te worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Het college heeft het bouwplan bij het nemen van het besluit van 7 september 2009 terecht aan het bestemmingsplan "Buitengebied 1997, herziening [locatie] te [plaats], 1e herziening" getoetst, nu dit bestemmingsplan op 2 april 2009 in werking was getreden en het dus ten tijde van het besluit op bezwaar het geldend recht was. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen in de uitspraken van 21 december 1999 (in zaak nr. H01.99.0245, AB 2000, 78) en van 22 december 2004 (in zaak nr.
200308026/1) worden door de vernietiging van een goedkeuringsbesluit van een bestemmingsplan de rechtsgevolgen van de op basis van dat plan verleende bouwvergunningen niet ongedaan gemaakt. Hoewel deze jurisprudentie tot stand is gekomen onder de werking van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, geeft de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening geen aanleiding om aan de vernietiging door de Afdeling van het vaststellingsbesluit van het bestemmingsplan, wel het gevolg te verbinden dat de rechtsgevolgen van een op grond daarvan verleende bouwvergunning ongedaan worden gemaakt. Voor zover thans van belang, houdt de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening ten opzichte van de Wet op de Ruimtelijke Ordening uitsluitend de wijziging in dat goedkeuring van gedeputeerde staten niet is vereist voor inwerkingtreding van het bestemmingsplan. De gronden om tot de hiervoor in de uitspraak van 21 december 1999 weergegeven benadering te komen, blijven onverminderd aanwezig.