ECLI:NL:RBDHA:2026:3134

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
24/7071
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 3.9 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 8:69a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen verlening omgevingsvergunning nieuw gemeentehuis

De zaak betreft een beroep van eiseres tegen de verlening van een omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpenerwaard voor de bouw van een nieuw gemeentehuis. De vergunning werd verleend op basis van het bestemmingsplan dat nog niet onherroepelijk is, maar waartegen beroep loopt bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Eiseres stelde dat de rechtbank moest wachten op de uitspraak van de Afdeling, maar de rechtbank oordeelde dat het college en de rechtbank mochten toetsen aan het geldende bestemmingsplan, conform de Tegelen-jurisprudentie. De beroepsgronden van eiseres betroffen onder meer landschappelijke inpassing, verkeersaspecten, stikstofreductie en participatie, maar deze betroffen geen weigeringsgronden uit artikel 2.10 Wabo en werden daarom buiten beschouwing gelaten.

De rechtbank concludeerde dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan, de Bouwverordening, het Bouwbesluit of redelijke eisen van welstand. Het welstandsadvies was positief en zorgvuldig tot stand gekomen. De stikstofgerelateerde bezwaren konden niet worden toegerekend aan het belang van eiseres vanwege het relativiteitsvereiste. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor de bouw van het gemeentehuis wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7071

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpenerwaard

(gemachtigde: mr. T.E.P.A. Lam).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Gemeente Krimpenerwaard(vergunninghoudster)
(gemachtigde: [naam 1] )

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor de bouw van een gemeentehuis in [plaats] . Eiseres is het daarmee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de vergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft bij besluit van 20 maart 2024 een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een nieuw gemeentehuis op het adres [adres] (het perceel). Met het bestreden besluit van 16 juli 2024 is het college bij dit besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door [naam 2] , namens het college een kantoorgenoot van gemachtigde,
mr. M. Vermeulen, bijgestaan door [naam 3] , en gemachtigde van vergunninghoudster.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoering Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
3.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 15 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. De diensten van de gemeente Krimpenerwaard zijn ondergebracht op vier verschillende locaties, in de dorpskernen van de gemeente. Vergunninghoudster heeft het plan om in plaats daarvan een nieuw gemeentehuis te bouwen, zodat alle gemeentelijke taken en functies centraal op één plek in de gemeente te vinden zullen zijn.
4.1.
In verband daarmee is het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” (het bestemmingsplan) op 19 september 2023 vastgesteld. Het bestemmingsplan is in werking getreden, maar is nog niet onherroepelijk geworden. Tegen dit bestemmingsplan heeft eiseres namelijk beroep ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). De Afdeling heeft nog geen uitspraak gedaan.
4.2.
Vergunninghoudster heeft op 15 december 2023 een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de bouw van het gemeentehuis ingediend. De aanvraag betreft “het bouwen van een bouwwerk” als vermeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. In het besluit van 20 maart 2024 heeft het college de gevraagde vergunning verleend.
Het college heeft het bouwplan getoetst aan artikel 2.10 van de Wabo. Het college heeft geconstateerd dat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening. Ook is geen sprake van strijd met redelijke eisen van welstand. De Grote Gemeentelijke Adviescommissie Omgevingskwaliteit Krimpenerwaard (welstandscommissie) heeft op 8 januari 2024 een positief advies uitgebracht. Aangezien geen van de artikel 2.10 van de Wabo vermelde weigeringsgronden aan de orde is, heeft het college geconcludeerd dat de omgevingsvergunning moet worden verleend. In het bestreden besluit is het besluit van 20 maart 2024 gehandhaafd.
Moet worden gewacht op de uitspraak van de Afdeling in het beroep tegen het bestemmingsplan?
5. Eiseres is van mening dat het college ten onrechte met het nemen van een beslissing op het bezwaar niet heeft gewacht totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) uitspraak heeft gedaan op haar beroep tegen het bestemmingsplan. Eiseres verzoekt de rechtbank om te wachten met het doen van uitspraak totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan. Het is volgens eiseres niet zinvol dat de rechtbank uitspraak doet terwijl de Afdeling zich nog niet heeft uitgesproken over het bestemmingsplan.
5.1.
De rechtbank overweegt dat bij het nemen van een besluit op bezwaar in beginsel het recht dient te worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Op het moment van het bestreden besluit was ter plaatse van het perceel het bestemmingsplan in werking en gold dit als het geldende recht. Het college heeft dan ook bij het nemen van het bestreden besluit terecht aan dit bestemmingsplan getoetst. Indien de Afdeling het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan geheel of gedeeltelijk zou vernietigen, worden daarmee de rechtsgevolgen van de op basis van dit plan verleende omgevingsvergunning voor bouwen niet ongedaan gemaakt. Een vernietiging van het bestemmingsplan heeft dus geen gevolgen voor een op basis daarvan verleende omgevingsvergunning. Dit is de zogenoemde Tegelen-jurisprudentie. [1] Het college heeft dan ook terecht de uitspraak van de Afdeling in het beroep tegen het bestemmingsplan niet afgewacht. Ook de rechtbank dient uit te gaan van het nieuwe bestemmingsplan. [2] De rechtbank zal met het doen van uitspraak ook niet wachten op de uitspraak van de Afdeling in het beroep tegen het bestemmingsplan.
5.2.
Het betoog van eiseres slaagt niet.
Beroepsgronden die betrekking hebben op het bestemmingsplan
6. Eiseres brengt beroepsgronden naar voren die betrekking hebben op de keuzes en afwegingen die zijn gemaakt bij de totstandkoming van het bestemmingsplan. Het betreft gronden die betrekking hebben op: landschappelijke inpassing, ligging (locatie), ook ten opzichte van het nabijgelegen natuurgebied, eerlijke afweging, noodzaak van en keuze voor nieuwbouw, de rechtmatigheid van die keuze en de afweging of dat in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, waaronder verkeer en verkeersbewegingen, keuze voor een bovengronds parkeerterrein, veiligheid en bereikbaarheid, extra diensten zoals horeca en zaalverhuur, lichthinder, geluidhinder, gevolgen voor omliggende bedrijven en de hindercirkel van bedrijven, en toegestane bouwhoogte.
6.1.
De rechtbank overweegt dat deze gronden geen betrekking hebben op een van de in artikel 2.10 van de Wabo opgenomen weigeringsgronden. Gelet daarop zullen deze gronden buiten beschouwing blijven.
Procedurele gronden
7. Eiseres stelt dat zij onvoldoende betrokken is bij het participatietraject.
7.1.
De rechtbank overweegt dat de omgevingsvergunning volgens de reguliere procedure van de Wabo is voorbereid. De Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Wabo voorzien niet in een verplichting tot inspraak of participatie in aanvulling op de reguliere voorbereidingsprocedure. Wat eiseres over burgerparticipatie heeft gesteld kan daarom niet leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid, of om een andere reden niet rechtmatig is. Het betoog van eiseres slaagt niet.
7.2.
Eiseres voert aan dat de bouw van het nieuwe gemeentehuis onder verschillende adressen in het nieuws is gebracht, waardoor zij op het verkeerde been is gezet. Volgens haar is dit geen toeval en is van belang dat de gemeente hierin een voorbeeldfunctie heeft.
7.3.
Dit betoog slaagt niet. De rechtbank ziet niet in waarom eiseres op het verkeerde been zou zijn gezet door berichtgeving over het bouwplan. Nog afgezien van het feit dat publicatie van het besluit niet bepalend is voor de rechtmatigheid daarvan, stelt de rechtbank vast dat eiseres gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om bezwaar te maken. Overigens kan de rechtbank het standpunt van het college volgen dat de publicatie met vermelding van gemeentehuis en het adres daarvan niet onduidelijk is.
7.4.
Eiseres betoogt dat zij beperkt is in haar verweer omdat het college de door hen gevraagde informatie over het bouwplan niet heeft verstrekt, terwijl zij daar expliciet om heeft gevraagd. Dit is in strijd met het procesrecht.
7.5.
Dit betoog slaagt niet. Eiseres heeft niet concreet is gemaakt welke door haar gevraagde informatie wordt gemist en evenmin waarom dat leidt tot een beperking van haar mogelijkheden om de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning in beroep aan de orde te kunnen stellen. In het dossier ziet de rechtbank ook geen aanwijzing dat de op de zaak betrekking hebbende stukken niet beschikbaar zijn geweest voor eiseres.
7.6.
Eiseres vindt dat de gemeente een dubbelrol heeft in deze procedure, doordat de gemeente aanvrager is van de omgevingsvergunning en het college de aanvraag beoordeelt. Daarmee is de gemeente partijdig. De gemeente had een aanvraag om een omgevingsvergunning van een derde nooit toegestaan.
7.7.
De rechtbank overweegt dat de gemeente als aanvrager aan dezelfde regels dient te voldoen als elke andere aanvrager. Dat de gemeente aanvrager van de omgevingsvergunning is leidt er niet toe dat het college partijdig is geweest bij het verlenen van de vergunning. Eiseres heeft haar stelling dat het college partijdig is niet onderbouwd. Het dossier geeft daarvoor ook geen enkel aanknopingspunt. Het betoog van eiseres slaagt niet.
Toetsingskader
8. Op grond van het bestemmingsplan heeft het perceel, voor zover hier van belang, de bestemming “Maatschappelijk”.
8.1.
In artikel 3.1, onder a, van het bestemmingsplan is bepaald dat de voor “Maatschappelijk” aangewezen gronden zijn bestemd voor: Maatschappelijke voorzieningen in de vorm van overheidsvoorzieningen, al dan niet met daaraan ondergeschikte (1) overige maatschappelijke voorzieningen en (2) horeca ten dienste van maatschappelijke voorzieningen.
8.2.
In artikel 3.2.1, onder a, van de planregels is bepaald dat op deze gronden gebouwen en overkappingen binnen het bouwvlak worden gebouwd.
8.3.
Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk geweigerd in geval van, kort gezegd, (a) strijd met het Bouwbesluit 2012, (b) strijd met de Bouwverordening, (c) strijd met het bestemmingsplan en (d) strijd met redelijke eisen van welstand. Deze in artikel 2.10 van de Wabo vermelde weigeringsgronden zijn limitatief en imperatief van aard. Dat betekent dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd als de bouwactiviteit in strijd is met één of meer van de weigeringsgronden en dat de omgevingsvergunning moet worden verleend, indien geen sprake is van één van deze weigeringsgronden. Er is dan sprake van een gebonden beschikking, waarbij het college geen ruimte heeft om de belangen van derden bij de besluitvorming te betrekken. [3] Deze belangen worden geacht reeds te zijn afgewogen bij de totstandkoming van het bestemmingsplan.
Is sprake van strijd met het bestemmingsplan?
9. Eiseres betoogt dat het bouwplan in strijd is met regels van het bestemmingsplan, maar heeft niet concreet gemaakt waaruit die gestelde strijd bestaat. Dit betoog slaagt dan ook niet.
Bouwverordening en Bouwbesluit
10. Niet in geschil is dat geen sprake is van strijd met de Bouwverordening en met het Bouwbesluit.
Is sprake van strijd met redelijke eisen van welstand?
11. Eiseres voert aan dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. De ligging en de massa van het bouwwerk voldoen niet en het bouwwerk is niet afgestemd op historische bebouwingskenmerken. Ook ontbreekt doorzicht naar het achterland.
11.1.
De rechtbank overweegt het volgende. Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandtoetsing bij het college zelf ligt, mag het college op dat advies afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een welstandsadvies hoeft niet nader te worden toegelicht. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd, of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. [4]
11.2.
De welstandscommissie heeft een positief advies uitgebracht. De rechtbank is van oordeel dat het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming niet zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet zonder meer aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag mag leggen. Gelet hierop en omdat eiseres geen eigen advies heeft ingebracht van een ander(e) deskundig te achten persoon of instantie, is er geen grond voor het oordeel dat het college het welstandsadvies niet aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen. Voor zover eiseres van betoogt dat de landschappelijke inpassing van het bouwwerk niet voldoende aan de orde is gekomen, volgt dat niet uit de stukken. Uit het advies van de welstandscommissie blijkt dat zij landschappelijke inpassing in haar beoordeling heeft betrokken. De rechtbank concludeert dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
11.3.
Het betoog van eiseres slaagt niet.
Stikstof
12. Eiseres betoogt dat onvoldoende gehoor wordt gegeven aan stikstofreductie. Er is immers geen noodzaak voor nieuwbouw. De gemeente had er ook voor kunnen kiezen om de bestaande kantoren in de gemeentekernen te behouden en zo nodig aan te passen.
12.1.
Ten aanzien daarvan heeft de rechtbank reeds overwogen dat deze grond betrekking heeft op de keuzes en afwegingen die zijn gemaakt bij de totstandkoming van het bestemmingsplan en niet betrekking heeft op een van de weigeringsgronden van artikel 2.10 van de Wabo, en dus buiten beschouwing dient te blijven.
12.2.
Verder stelt eiseres dat zolang niet is gebleken dat de gemeente voldoende stikstofrechten heeft, de vergunning onrechtmatig is.
12.3.
De rechtbank overweegt het volgende. De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. De wetgever heeft hiermee de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de eiser door het besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit dus niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de eiser. [5]
12.4.
De rechtbank stelt vast dat de woning van eiseres op circa 8,6 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied “Uiterwaarden Lek” ligt. Gelet op deze afstand maakt dit Natura 2000-gebied geen deel uit van de directe woon- en leefomgeving van eiseres. Er bestaat dan ook geen duidelijke verwevenheid tussen de individuele belangen van eiseres bij het behoud van een goede kwaliteit van haar directe woon- en leefomgeving en de algemene belangen die de Wet natuurbescherming (Wnb) beoogt te beschermen. Dit betekent dat zij zich, gelet op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb, niet op de schending van de normen in de Wnb kan beroepen. [6] De rechtbank zal dan ook niet inhoudelijk op deze beroepsgrond ingaan.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. I. Geerink-van Loon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP0510.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1131.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1532.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3992.
5.Zie artikel 8:69a van de Awb.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:625.