Uitspraak
200706138/1). Nu uit de handreiking niet blijkt dat gedeputeerde staten hebben beoogd een onderscheid te maken tussen ondergrondse en bovengrondse bouw en de beoogde ondergrondse bouw zal worden aangewend voor niet functioneel aan de groene ruimte verbonden gebruiksvormen als bedoeld in paragraaf 4.2.3.8 van het streekplan, dient bij de toepassing van de in paragraaf 4.2.9, onder 4, van de handreiking neergelegde beleidsregel dat de uitbreiding maximaal 15% van de bestaande bedrijfsbebouwing mag bedragen, ook de van het project deeluitmakende parkeerkelder te worden betrokken. Aangezien de uitbreiding van de bestaande bedrijfsbebouwing als gevolg van het project, inclusief kelder, in ruime mate meer dan 25% bedraagt en derhalve in strijd is met de handreiking, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat gedeputeerde staten hebben gehandeld in strijd met het streekplan, zodat het college geen gebruik had mogen maken van de verklaring van geen bezwaar. De stelling van [appellant sub 2] dat het project past binnen de "Omgevingsvisie Overijssel" (hierna: de Omgevingsvisie) en de "Omgevingsverordening Overijssel 2009" (hierna: de Omgevingsverordening) en het toekomstige bestemmingsplan "Buitengebied 2009" leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat deze ten tijde van het besluit op bezwaar nog niet in werking waren getreden.
200404104/1) de toelichting geen deel uitmaakt van het bestemmingsplan, zodat daaraan geen bindende betekenis toekomt. De toelichting kan dan ook de planvoorschriften en de plankaart niet opzij zetten. De verwijzing door [appellant sub 2] naar een op 20 maart 1974 verleende vrijstelling en bouwvergunning en naar het overgangsrecht van het bestemmingsplan, maakt het voorgaande evenmin anders, nu die omstandigheden, wat daar ook van zij, niet meebrengen dat het bestaande bergingsbedrijf positief in het bestemmingsplan is bestemd als bedoeld in de handreiking. Voor zover [appellant sub 2] nog betoogt dat de rechtbank met haar oordeel buiten de grenzen van het geschil is getreden, leidt dat evenmin tot het beoogde doel, nu [wederpartij sub 1] dit punt in beroep uitdrukkelijk aan de orde heeft gesteld.
200806073/1) vindt ingevolge artikel 7:11 van Pro de Awb op grondslag van het bezwaar een volledige heroverweging van het primaire besluit plaats. Als uitgangspunt heeft daarbij te gelden dat het besluit op bezwaar wordt genomen met inachtneming van de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar en de te dien tijde geldende rechts- en beleidsregels. Er bestaat geen aanleiding om op dit uitgangspunt een uitzondering te maken. Gelet hierop, is geen grond aanwezig voor het oordeel dat het college in het kader van de heroverweging ten onrechte niet het streekplan en de handreiking als toetsingskader heeft gehanteerd.