ECLI:NL:RVS:2009:BJ3621
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geloofwaardigheid en realiteitsgehalte van vermoedens in asielprocedure
De zaak betreft een hoger beroep tegen de afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd door de staatssecretaris van Justitie. De vreemdeling had eerder een vergunning voor bepaalde tijd gekregen en verzocht om verlenging. De staatssecretaris vond dat de grond voor verlening was komen te vervallen en wees de aanvraag af, ondanks dat de feiten over zijn detentie door rebellen niet ongeloofwaardig werden geacht.
De rechtbank had het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en het besluit vernietigd, waarbij zij oordeelde dat nader onderzoek naar de reële vrees van de vreemdeling gerechtvaardigd was. De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte het realiteitsgehalte van de vermoedens niet terughoudend had getoetst.
De Raad van State bevestigt dat de rechter terughoudend moet zijn bij het toetsen van de geloofwaardigheid van het asielrelaas zelf, maar dat deze terughoudendheid niet geldt voor de beoordeling van vermoedens over wat de vreemdeling bij terugkeer te wachten staat. Deze vermoedens maken deel uit van de vrees voor vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en het EVRM, en dienen daarom strenger te worden getoetst. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.