Uitspraak
200608917/1, JV 2007/348) heeft overwogen dat de regels uit de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), op grond waarvan aanspraak bestond op verlening van de verblijfsvergunning, die uiteindelijk is verleend, tot doel hebben een recht op bestendig verblijf in Nederland te verlenen en niet strekken tot bescherming van vermogensrechtelijke belangen. De Afdeling heeft voorts overwogen dat, als de Staat in het kader van de procedure tot toelating een voor die procedure geldende regel heeft geschonden, de aanvrager toegang tot de rechter heeft om deze schending te doen herstellen. Deze schending geeft in beginsel echter geen aanspraak op vergoeding van schade, als hier is verzocht. De Afdeling heeft daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007 in zaak nr. C06/081HR (JV 2007/322) verwezen.
200801832/1) kan de plicht om binnen de daartoe gestelde wettelijke termijn een beslissing op een aanvraag te nemen, niet los worden gezien van de aard van het desbetreffende besluit. De rechtbank heeft met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2007 terecht overwogen dat de geschonden norm van tijdig beslissen niet strekt tot bescherming van de door [appellant] gestelde vermogensrechtelijke belangen.