Uitspraak
200704764/1), dient de beslissing om met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van horen af te zien, te worden genomen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is gesteld.
Raad van State
De minister van Justitie weigerde op 6 juni 2007 het verzoek van wederpartijen om verlenging van de geldigheidsduur van hun beginseltoestemming voor adoptie. Na een ongegrondverklaring van bezwaar door de minister, verklaarde de rechtbank Assen het beroep gegrond en vernietigde het besluit. De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het horen van belanghebbenden een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure, maar dat hiervan kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. De minister stelde dat het bezwaar zich richtte tegen een weigering die conform de wettelijke leeftijdsgrens was genomen, waardoor het bezwaar uitzichtloos was.
De Afdeling oordeelde dat de minister terecht zonder hoorzitting kon beslissen omdat het bezwaar niet kon leiden tot een ander besluit, gelet op de dwingende bepalingen van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van de minister tot weigering van verlenging van de beginseltoestemming wordt ongegrond verklaard.