ECLI:NL:RVS:2008:BF0509
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- P.A. Offers
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering verblijfsvergunning wegens onjuiste toepassing artikel 4:6 Awb
De vreemdeling diende op 17 januari 2006 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het doel verblijf bij haar kind. Deze aanvraag werd op 12 april 2006 door de minister afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de staatssecretaris van Justitie op 30 mei 2007 werd gehandhaafd. Vervolgens verklaarde de rechtbank ’s-Gravenhage het beroep van de vreemdeling ongegrond.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het beoordelingskader van artikel 4:6 Awb Pro van toepassing was, omdat het eerdere besluit betrekking had op een aanvraag met een ander verblijfsdoel. Het eerdere besluit van 9 september 2002 betrof een aanvraag voor medische behandeling, terwijl de latere aanvraag betrekking had op verblijf bij het kind. Hierdoor was geen sprake van besluiten van gelijke strekking.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 30 mei 2007, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De zaak werd terugverwezen om de aanvraag opnieuw te beoordelen zonder toepassing van artikel 4:6, tweede lid, Awb.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens onjuiste toepassing van artikel 4:6, tweede lid, Awb.