Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9593

Raad van State

Datum uitspraak
21 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200700455/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • B. van Wagtendonk
  • P.A. Offers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 8:54 AwbMandaatregeling Ministerie van Justitie 2005Mandaatregeling DG's, NCTb en plv. SG Justitie 2005Mandaatregeling directoraat generaal Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken Justitie 2005
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens mandaatgebrek bij besluiten verblijfsvergunning asiel

De zaak betreft het hoger beroep van de Minister van Justitie tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter die besluiten van 20 december 2006 afwijzend behandelde inzake verblijfsvergunningen asiel voor twee vreemdelingen. De minister stelde dat de besluiten terecht waren genomen door een medewerker van de IND namens de minister, ondanks dat de bevoegdheid sinds 14 december 2006 bij de minister zelf berustte.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de besluiten ten onrechte waren genomen door een medewerker namens het hoofd van de IND, terwijl de bevoegdheid inmiddels bij de minister lag. Desondanks was de medewerker bevoegd om namens het hoofd van de IND te handelen. De Afdeling paste artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe en besloot het gebrek te passeren omdat de vreemdelingen niet in hun belangen waren geschaad.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en wees de zaak terug naar de rechtbank voor herbehandeling en beslissing met inachtneming van de bevoegdheidsregels. Tevens stelde de Afdeling de proceskosten vast en bepaalde dat de rechtbank over de vergoeding daarvan beslist.

Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug voor nieuwe beslissing met inachtneming van de mandaatregels.

Uitspraak

200700455/1.
Datum uitspraak: 21 februari 2007
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister van Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/62045, 06/62043, 06/62048 en 06/62047 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 9 januari 2007 in de gedingen tussen:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 20 december 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aanvragen van [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] (hierna: de vreemdelingen) om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 9 januari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de minister) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 16 januari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 24 januari 2007 hebben de vreemdelingen een nader stuk ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In zijn grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat de besluiten van 20 december 2006 namens de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie zijn genomen en ondertekend, terwijl sinds 14 december 2006 de bevoegdheid tot het nemen van besluiten was overgegaan op de minister, een fundamenteel gebrek is, dat niet is te herstellen via artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Volgens de minister is geen sprake van een dergelijk fundamenteel gebrek, nu de vreemdelingenportefeuille vanaf 14 december 2006 bij hem berust, de medewerker die de besluiten van 20 december 2006 heeft genomen bevoegd was deze namens hem te nemen en de vreemdelingen niet in hun belangen zijn geschaad.
2.1.1. Vaststaat dat de besluiten van 20 december 2006 ten onrechte zijn genomen door een medewerker, namens het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND), namens de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, nu, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 februari 2007 in zaak no. 200700350/1, aangehecht ter voorlichting van partijen), de bevoegdheden van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie inzake aangelegenheden betreffende Vreemdelingenzaken vanaf 14 december 2006 onder de bevoegdheid van de minister vallen.
2.1.2. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Mandaatregeling Ministerie van Justitie 2005 (Stcrt. 2005, nr. 97, pag. 22), zoals dit luidt na wijziging op 15 december 2006 (Stcrt. 2007, nr. 4, pag. 10) wordt onder bewindspersoon verstaan: de Minister van Justitie of Minister voor Integratie, Preventie, Jeugdbescherming en Reclassering.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, wordt onder mandaat verstaan de bevoegdheid om in naam van de bewindspersoon besluiten te nemen.
Ingevolge artikel 2 wordt Pro aan de secretaris-generaal mandaat verleend ten aanzien van de tot het ministerie behorende aangelegenheden, met uitzondering van de bevoegdheid tot het nemen van besluiten die zijn neergelegd in een document, gericht tot bepaalde categorieën, neergelegd in a tot en met f van dat artikel.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Mandaatregeling DG's, NCTb en plv. SG Justitie 2005 (Stcrt. 2005, nr. 114, pag. 9) wordt van het ingevolge artikel 2 van Pro de Mandaatregeling Ministerie van Justitie 2005 verleende mandaat ondermandaat verleend aan de directeuren generaal ten aanzien van de aangelegenheden die hun directoraat generaal betreffen.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder g, van de Mandaatregeling directoraat generaal Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken Justitie 2005 (Stcrt. 2005, nr. 136, p. 10) wordt van het ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Mandaatregeling DG's, NCTb en plv. SG Justitie 2005 aan de directeur-generaal Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken verleende ondermandaat, voor zover thans van belang, ondermandaat verleend aan de hoofddirecteur van de IND.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Algemene ondermandaatregeling van het hoofd van de IND 2005 (Stcrt. 2005, nr. 136, pag. 9) verleent het hoofd van de IND ondermandaat van de in de Mandaatregeling directoraat generaal Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken Justitie 2005 aan hem gemandateerde bevoegdheden aan de in de bijlage bij dit besluit genoemde en onder hem ressorterende functionarissen, een en ander voor zover dat in overeenstemming is met de taak en functie van de betreffende functionaris, waaronder de medewerker.
2.1.3. Uit deze besluiten volgt dat de medewerker bevoegd was de besluiten van 20 december 2006 te nemen namens het hoofd van de IND, namens de minister.
2.1.4. Onder de hiervoor weergegeven omstandigheden ziet de Afdeling aanleiding het gebrek dat aan het besluit kleeft met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb te passeren, nu gesteld noch gebleken is dat de vreemdelingen daardoor in hun belangen zijn geschaad.
De grief slaagt.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
2.3. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 9 januari 2007 in de zaken nos. AWB 06/62043 en 06/62047;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. stelt de door de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink
Voorzitter w.g. Van der Winden
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2007
13-473.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak