ECLI:NL:RBDHA:2024:22101
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij dochter wegens ontbreken bijkomende afhankelijkheid
Eiseres, geboren in 1939 en met de Sri Lankaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd om bij haar dochter in Nederland te verblijven. De minister wees deze aanvraag af omdat eiseres niet beschikte over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en omdat er geen sprake was van bijkomende elementen van afhankelijkheid zoals vereist onder artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat het besluit van de minister bevoegd was genomen, ondanks een administratieve omissie in de ondertekening. De rechtbank stelde vast dat eiseres de beroepsgrond inzake vrijstelling van het mvv-vereiste op medische gronden had laten vallen.
De rechtbank concludeerde dat er geen sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar meerderjarige kinderen. De minister had terecht meegewogen dat eiseres zelfstandig had gewoond, dat zij pas laat een aanvraag deed en dat zij niet financieel afhankelijk was van haar kinderen in Nederland. Ook de belangenafweging met betrekking tot het privéleven in Nederland viel in het nadeel van eiseres uit, mede vanwege haar illegale verblijf en het belang van de Nederlandse Staat bij een restrictief toelatingsbeleid.
Andere gronden, zoals onredelijke hardheid en schending van het proportionaliteitsbeginsel, werden onvoldoende onderbouwd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning blijft in stand.