Uitspraak
200307824/1. Verweerder heeft bij besluit van 23 november 2004 het dwangsombesluit ingetrokken. Bij besluit van 28 december 2004 heeft verweerder het bezwaar tegen het dwangsombesluit gegrond verklaard, omdat dat besluit was ingetrokken.
Raad van State
Appellanten verzochten vergoeding van materiële en immateriële schade veroorzaakt door een dwangsombesluit en het daaropvolgende politieoptreden tijdens een milieu-inspectie. De materiële schade betrof herstelkosten van een geforceerd raam, de immateriële schade had betrekking op disproportioneel bestuurs- en politieoptreden en de lange duur van onzekerheid door het niet tijdig beslissen op bezwaar.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat de bestuursrechter alleen bevoegd is om te oordelen over schade veroorzaakt door een besluit waartegen beroep mogelijk is. De schade door de milieu-inspectie vloeit voort uit feitelijke handelingen, waartegen geen beroep openstaat, waardoor het bezwaar hierover terecht niet-ontvankelijk werd verklaard.
Met betrekking tot de immateriële schade door het niet tijdig beslissen op bezwaar over het dwangsombesluit, oordeelt de Afdeling dat appellanten niet voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij daardoor in hun persoon zijn aangetast. Bovendien is het dwangsombesluit geschorst en ingetrokken, en is geen dwangsom geïnd.
Een nieuw aangevoerde grond over reputatieschade door politieoptreden werd niet eerder ingebracht en wordt buiten behandeling gelaten wegens strijd met een goede procesorde. Schade door handelen van het Openbaar Ministerie valt niet onder de bevoegdheid van verweerder.
De Afdeling verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellanten tegen de afwijzing van hun schadevergoedingsverzoek wordt ongegrond verklaard.