ECLI:NL:RVS:2001:AD8160
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H.B. van der Meer
- P.J.J. van Buuren
- F.P. Zwart
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belanghebberschap bij vergunning voor vellen van bomen op de Dam te Amsterdam
Burgemeester en wethouders van Amsterdam verleenden op 31 mei 2000 een vergunning voor het vellen van 12 iepen rond het Nationaal Monument op de Dam, onder voorwaarde van herbeplanting. Appellante maakte bezwaar tegen deze vergunning, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. De president van de arrondissementsrechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond, vernietigde het besluit en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belanghebberschap.
De Raad van State oordeelde dat appellante geen belanghebbende was in de zin van artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat zij geen persoonlijk belang had dat haar voldoende onderscheidde van anderen. Haar woning ligt circa 300 meter van de bomen, zonder direct zicht daarop, en haar bezoek aan de Dam was onvoldoende om haar als belanghebbende te kwalificeren.
Het hoger beroep van appellante werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de president werd bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De Raad van State handhaafde daarmee de strikte criteria voor belanghebberschap bij bestuursrechtelijke procedures.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellante geen belanghebbende is bij het kapvergunningsbesluit.