ECLI:NL:RBZWB:2026:835

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
23/11355
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 10, lid 8, van de Wet BpmArtikel 27h, derde lid, van de AWRArtikel 28, zevende lid, van de AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag BPM afgewezen met toekenning immateriële schadevergoeding

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van € 3.736 opgelegd door de inspecteur, die het bezwaar ongegrond verklaarde. De kern van het geschil betrof de juiste toepassing van de herleidingsmethode, de afschrijvingsmethode, de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde van een Mercedes Benz GLE klasse 450 4Matic.

De rechtbank oordeelt dat de herleidingsmethode niet kan worden toegepast en stelt de historische nieuwprijs vast op € 123.411 conform het arrest van de Hoge Raad. De rechtbank vindt dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade, zodat de afschrijving niet op basis van het taxatierapport kan plaatsvinden. De handelsinkoopwaarde wordt vastgesteld aan de hand van de koerslijst van AutotelexPro, die beter aansluit bij het AMG-Line pakket.

De naheffingsaanslag is derhalve terecht opgelegd. Wel wordt belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 1.500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn met 15 maanden, waarvan € 500 voor rekening van de inspecteur en € 1.000 voor rekening van de Staat. Daarnaast worden proceskosten van € 233,50 toegekend, te verdelen tussen inspecteur en Staat. Het griffierecht wordt niet vergoed.

De uitspraak is gedaan door rechter Steijn en griffier de Fouw en is openbaar gemaakt. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11355
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V. ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 3.736 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [persoon] , verbonden aan [B.V.] , en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 13 juni 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Mercedes Benz GLE klasse 450 4Matic met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 6.853.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 10.589 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.

Overwegingen

4. Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast. Verder is in geschil welke afschrijvingsmethode van toepassing is, de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat.
Herleidingsmethode
4.1.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Historische nieuwprijs
4.2.
De rechtbank leidt uit de stukken af dat beide partijen uitgaan van een netto catalogusprijs van € 80.195. De rechtbank stelt de historische nieuwprijs daarom vast op € 123.411 zoals door belanghebbende bepleit en verwijst hiervoor naar hetgeen de Hoge Raad heeft bepaald in zijn arrest van 22 december 2023. [2]
Afschrijvingsmethode
4.3.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. [3]
Is sprake van meer dan normale gebruiksschade?
4.4.
De taxateur van belanghebbende heeft aan de auto schade geconstateerd en daarvan 85% in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. Daarnaast heeft hij nog een correctie wegens een schadeverleden in aanmerking genomen. De taxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto’s geconstateerd en opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
4.5.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft hiervoor verwezen naar haar taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto twee jaar en acht maanden oud is en 42.741 kilometer heeft gereden. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een waardevermindering wegens eens schadeverleden in aanmerking te nemen aangezien dit door belanghebbende verder niet is onderbouwd. Al hetgeen de inspecteur met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer.
4.6.
Het voorgaande brengt met zich dat de afschrijving voor de auto in het onderhavige geval niet kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van schade. Belanghebbende heeft voor dat geval een beroep gedaan op de koerslijstmethode.
Handelsinkoopwaarde
4.7.
Belanghebbende bepleit een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 49.389 zoals volgt uit de koerslijst van Xray die door DRZ bij de hertaxatie is gebruikt.
4.8.
De inspecteur stelt zich nader op het standpunt dat de koerslijst van Xray niet juist is en dat als ondergrens voor de handelsinkoopwaarde moet worden uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 61.654 zoals volgt uit de koerslijst van AutotelexPro omdat de auto een AMG-lijn is. In de koerslijst waar belanghebbende zich op beroept is daar onvoldoende rekening mee gehouden, aldus de inspecteur.
4.9.
De rechtbank acht belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet in het bewijs geslaagd dat de door haar bepleite koerslijstwaarde in dit geval de waarde van de auto weergeeft. De rechtbank stelt daarbij voorop dat zij geen expert is in de diverse modellen auto’s en moet uitgaan van hetgeen door partijen wordt aangedragen. De rechtbank heeft voor dat geval de informatie zoals opgenomen in het SilverDAT VIN-informatie Rapport vergeleken met de koerslijsten waar partijen zich op beroepen. De rechtbank is daarbij tot de conclusie gekomen dat de koerslijst van AutotelexPro waar de inspecteur zich op beroept, beter aansluit bij het AMG-Line pakket dat is vermeld in het SilverDAT VIN informatie Rapport dan de koerslijst van Xray waar belanghebbende zich op beroept. Gelet daarop is het niet aannemelijk dat de handelsinkoopwaarde moet worden vastgesteld op een zodanig bedrag dat dit tot een verlaging van de verschuldigde Bpm kan leiden. De overige stellingen van de inspecteur met betrekking tot de handelsinkoopwaarde hoeven dan geen behandeling meer. Ook aan het beroep op interne compensatie komt de rechtbank dan niet toe.
Hoogte naheffingsaanslag
4.10.
Gelet op het vorenstaande is de naheffingsaanslag niet tot een hoog bedrag opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
4.11.
Belanghebbende heeft op 30 november 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.12.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 30 november 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 10 februari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 15 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.13.
Omdat de bezwaarfase afgerond 11 maanden heeft geduurd en daarmee 5 maanden te lang, komt € 500 (5/15e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.000) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [4] , wat neerkomt op € 233,50. De inspecteur en de Staat moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriële schadevergoeding is weliswaar gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [5] , echter op die datum was de redelijke termijn nog niet verstreken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 500;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 1.000
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [6]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
3.Artikel 10, lid 8, van de Wet Bpm.
4.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
5.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.
6.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.