ECLI:NL:RBZWB:2026:6690
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen naheffingsaanslag BPM met vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van € 8.278 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, mede omdat het taxatierapport niet gebruikt kan worden bij de vaststelling van de vermindering omdat de fysieke opname na het afschrijvingsmoment heeft plaatsgevonden.
De rechtbank wijst het beroep af, maar erkent dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep is overschreden met ongeveer veertien maanden. Daarom kent zij belanghebbende een vergoeding van immateriële schade van € 1.500 toe, die voor rekening van de Staat komt.
Daarnaast krijgt belanghebbende een vergoeding van proceskosten van € 233,50 voor de rechtsbijstand bij het verzoek om immateriële schadevergoeding. Het griffierecht wordt niet vergoed omdat de redelijke termijn op het moment van het verzoek nog niet was verstreken.
De rechtbank baseert haar oordeel op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 en de Uitvoeringsregeling BPM, waarbij het taxatierapport binnen een maand vóór het afschrijvingsmoment moet zijn opgesteld. De rechtbank wijst het beroep af, maar veroordeelt de Staat tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.