ECLI:NL:RBZWB:2026:5535

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
AWB-25_2215
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens niet tijdig betalen

Belanghebbende parkeerde op 23 januari 2025 haar auto op een locatie waar parkeerbelasting verschuldigd was, maar betaalde niet direct. De heffingsambtenaar legde een naheffingsaanslag op van €81,20, bestaande uit belasting en kosten. Belanghebbende voerde aan dat zij direct na het parkeren probeerde te betalen via een defecte parkeerautomaat en later via een parkeerapp, en dat zij een redelijke termijn moest krijgen om te voldoen.

De rechtbank overwoog dat volgens vaste rechtspraak een redelijke termijn geldt om de parkeerbelasting te voldoen, maar dat deze termijn begint direct na het parkeren en dat onverwijlde handelingen vereist zijn. De heffingsambtenaar bracht bewijs aan dat belanghebbende tijdens de controle niet zichtbaar of hoorbaar bezig was met betalen, en dat het terrein overzichtelijk was.

De rechtbank achtte de stelling van belanghebbende niet aannemelijk en verwierp haar argumenten over schending van bestuursrechtelijke beginselen zoals het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. De naheffingsaanslag is daarom terecht opgelegd en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2215

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Goes , de heffingsambtenaar.

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 24 maart 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] opgelegd (de naheffingsaanslag).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Belanghebbende heeft als reactie een aanvullend stuk ingediend. Vervolgens heeft de heffingsambtenaar daar nog op gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]
1.5.
Bij het sluiten van het onderzoek heeft de rechtbank aangekondigd na zes weken uitspraak te doen. Deze termijn is niet haalbaar gebleken.

Feiten

2. Belanghebbende heeft op 23 januari 2025 een auto met kenteken [kenteken] geparkeerd aan [straat] te [plaats] . Tijdens een controle omstreeks 16:18 uur is geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan, terwijl op dat tijdstip parkeerbelasting was verschuldigd.
2.1.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 81,20 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 2,40 en € 78,80 aan kosten van de naheffingsaanslag.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet en is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
4. Niet in geschil is dat de auto van belanghebbende op 23 januari 2025 omstreeks 16:18 uur geparkeerd stond aan de [straat] te [plaats] en dat deze locatie door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.
4.1.
Belanghebbende stelt dat zij omstreeks 16:17 uur haar auto heeft geparkeerd aan de [straat] en dat de dichtstbijzijnde parkeerautomaat haar pinbetaling niet ontving. Vervolgens heeft belanghebbende om 16:23 uur, nadat een eerdere parkeeractie was afgebroken, de parkeeractie uitgevoerd in de parkeerapp. Belanghebbende is van mening dat zij voortdurend bezig is geweest met het uitvoeren van handelingen om aan de betaalplicht te voldoen. Daarbij moet een parkeerder een redelijke tijd krijgen om de betaalplicht te voldoen. Belanghebbende verwijst hiervoor naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, ECLI:NL:RBAMS:2024:6089 en de conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad van 5 juli 2024, ECLI:NL:PHR:2024:710. Ook voert belanghebbende aan dat de heffingsambtenaar geen bewijs heeft verstrekt dat er volgens de controleur niemand bij de parkeerautomaat stond en er in de directe omgeving geen mensen te zien waren. Op de foto van de heffingsambtenaar is niet het gehele parkeerterrein te zien. De verklaring van de controleur is volgens belanghebbende onjuist en ongeloofwaardig. Tot slot stelt belanghebbende dat het evenredigheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel, hoor en wederhoor, verbod op détournement de pouvoir en het vertrouwensbeginsel zijn geschonden.
4.2.
De heffingsambtenaar stelt dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij direct bij aanvang van het parkeren onverwijld en bij voortduring bezig is geweest met het verrichten van handelingen om aan de betaalplicht te voldoen. Op het moment dat de parkeercontroleur bij de auto van belanghebbende arriveerde zag hij niemand, zowel bij de auto als bij de parkeerautomaat niet. Verder stelt de heffingsambtenaar dat het parkeerterrein een relatief klein terrein is met ongeveer veertig parkeerplaatsen waardoor het terrein overzichtelijk is en de controleur een vrij blikveld had. Tot slot heeft belanghebbende niet kenbaar gemaakt dat zij wil worden gehoord. Aangezien het feitenrelaas voor de heffingsambtenaar voldoende duidelijk was, was er geen noodzaak om belanghebbende te horen.
4.3.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak iemand die parkeert een redelijke termijn moet worden gegund om de parkeerapparatuur in werking te stellen. Die redelijke termijn vangt aan direct nadat de auto wordt geparkeerd. De redelijke termijn waarbinnen een parkeerrecht moet worden aangeschaft, hangt af van de omstandigheden van het geval. [2] Volgens eveneens vaste rechtspraak moet iemand die parkeert onverwijld uitvoeringshandelingen verrichten die noodzakelijk zijn om de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. Aan degene die parkeert moet een zekere – korte – tijd worden gelaten om de afstand tussen de parkeerplaats en de parkeerautomaat en vice versa te overbruggen of de parkeerbelasting anderszins te voldoen. [3]
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, rust op de heffingsambtenaar. De rechtbank acht, gelet op de verklaring van de parkeercontroleur en de door de heffingsambtenaar overgelegde foto’s van de controle en de situatie ter plaatse, de stelling van de heffingsambtenaar aannemelijk dat belanghebbende gedurende de controlewerkzaamheden en het opleggen van de naheffingsaanslag niet (na)bij de parkeerautomaat en/of bij haar auto zichtbaar dan wel hoorbaar was. De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar stelling dat nadat zij erachter kwam dat de parkeerautomaat niet werkte terugliep in de richting van haar auto terwijl zij al lopend haar parkeerapp opende. In dat geval hadden belanghebbende en de parkeercontroleur elkaar moeten treffen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het parkeerterrein blijkens het door de heffingsambtenaar overgelegde foto’s een overzichtelijk plein is en dat de parkeercontroleur vanaf de parkeerplaats van de auto van belanghebbende zicht had op de parkeerautomaat.
4.5.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet aannemelijk dat belanghebbende onverwijld en ononderbroken handelingen heeft verricht die waren gericht op het tijdig betalen van parkeerbelasting. De omstandigheid dat op een later moment voor het parkeren van de auto alsnog parkeerbelasting is voldaan, neemt niet weg dat niet bij aanvang van het parkeren parkeerbelasting is voldaan. De rechtbank volgt belanghebbende ook niet in haar standpunt dat de heffingsambtenaar, gelet op de door belanghebbende geschetste omstandigheden en aangevoerde argumenten, heeft gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van hoor en wederhoor, het verbod op détournement de pouvoir en het vertrouwensbeginsel of enig ander beginsel van behoorlijk bestuur. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag daarom terecht opgelegd.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. W.M.C. Oomen, griffier, op 23 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie bijvoorbeeld het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 november 2016, te raadplegen via rechtspraak.nl, ECLI:NL:GHARL:2016:9379.
3.Zie bijv. de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 20 september 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2680.