ECLI:NL:RBZWB:2026:5322
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van €4.299 die de inspecteur had opgelegd na een hertaxatie door DRZ. De rechtbank oordeelt dat de aanslag terecht is opgelegd omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de auto meer dan normale gebruiksschade had of dat de taxatiemethode of koerslijstmethode tot een lagere aanslag leiden.
De rechtbank weegt mee dat de auto vijf jaar en zeven maanden oud was en ruim 130.000 kilometer had gereden, en dat de foto’s geen zichtbare schade tonen. De door belanghebbende overgelegde koerslijst van XRay is niet betrouwbaar omdat een specificatie van opties ontbreekt en niet alle opties zijn vermeld. De inspecteur heeft een hogere historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde vastgesteld, wat door de rechtbank wordt gevolgd.
Daarnaast heeft belanghebbende een verzoek ingediend voor immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateert een termijnoverschrijding van ongeveer tien maanden en kent een vergoeding van €1.000 toe, die voor rekening van de Staat komt. Tevens worden proceskosten van €233,50 toegekend voor de rechtsbijstand bij dit verzoek.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst de naheffingsaanslag toe, maar veroordeelt de Staat tot betaling van de immateriële schadevergoeding en proceskosten. Het griffierecht wordt niet vergoed omdat de termijnoverschrijding op het moment van het verzoek nog niet was ingetreden.
De uitspraak is gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink en griffier M.J. van Balkom op 17 juni 2026 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.