Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5319

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
BRE 23/11641
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27h, derde lid AWRArt. 28, zevende lid AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van €6.314 en belastingrente van €69 opgelegd door de inspecteur. De rechtbank beoordeelt of deze aanslag terecht is opgelegd en of het bedrag juist is vastgesteld.

De auto betreft een Volkswagen Tiguan 2.0 TSI 4 Motion Highline die niet op een koerslijst voorkomt, waardoor de taxatiemethode van toepassing is. De rechtbank stelt de historische nieuwprijs vast op €82.436 en accepteert de door DRZ vastgestelde handelsinkoopwaarde van €60.000, gebaseerd op een marktonderzoek en correcties. Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van meer dan normale gebruiksschade.

De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag niet te hoog is en laat deze in stand. Wel wordt belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €1.000 toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer tien maanden. Daarnaast worden proceskosten van €233,50 vergoed. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar de Staat wordt veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt bevestigd en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van €1.000 wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11641

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 6.314 aan verschuldigde Bpm en gelijktijdig € 69 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 11 januari 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Volkswagen Tiguan 2.0 TSI 4 Motion Highline met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 11.598.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). DRZ heeft de handelsinkoopwaarde aan de hand van een marktonderzoek bepaald op € 60.000. De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 17.912 bedraagt en de naheffingsaanslag Bpm opgelegd. De inspecteur is voor de berekening van de verschuldigde Bpm uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 39.674 op basis van een koerslijst van XRay.

Overwegingen

Herleidingsmethode
4. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Taxatiemethode
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de auto niet voorkomt op een koerslijst. Vaststaat dat de auto exclusiever en duurder is dan de referentieauto, zelfs als een hoog bedrag aan opties wordt bijgeteld. De auto wijkt ook wat betreft vermogen (235 kW) sterk af van de referentieauto (169 kW). Daarom is de taxatiemethode van toepassing.
Historische nieuwprijs
4.2.
Partijen zijn het erover eens dat de historische nieuwprijs moet worden vastgesteld op € 82.436, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023. [2]
Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
4.3.
De verschillen in vermogen, gewicht en exclusiviteit tussen de referentieauto en de auto vindt de rechtbank wezenlijk en zij is van oordeel dat deze bijzondere en afwijkende kenmerken met zich brengen dat de waarde van de auto hoger is dan de handelsinkoopwaarde van de referentieauto in de koerslijst XRay bij het taxatierapport. Dat betekent dat de handelsinkoopwaarde niet een op een kan worden ontleend aan de koerslijst van XRay die bij het taxatierapport van belanghebbende is gevoegd. DRZ heeft op basis van de gemiddelde vraagprijs van € 78.580 van drie referentievoertuigen min een handelsmarge van 20% en een correctie handelsmarge van € 2.864 de handelsinkoopwaarde vastgesteld op € 60.000. De rechtbank ziet geen reden deze waarde aan te passen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de waarde lager is.
4.4.
Het vertrouwensbeginsel staat er niet aan in de weg dat van een waarde van € 60.000 kan worden uitgegaan. De stelling van belanghebbende dat de inspecteur niet mag terugkomen op de door hem op basis van de koerslijst vastgestelde handelsinkoopwaarde kan belanghebbende niet baten. Het staat de inspecteur vrij om in beroep een ander standpunt in te nemen. Verder is de handelsinkoopwaarde niet (enkel) gewijzigd vanwege een verschil in CO2-uitstoot, zodat ook de gronden van belanghebbende daarover niet slagen.
Schade
4.5.
Belanghebbende stelt dat sprake is van een auto met meer dan normale gebruiksschade. De inspecteur betwist dat er ten tijde van de aangifte sprake was van meer dan normale gebruikssporen. Daarbij wijst de inspecteur erop dat DRZ geen schade aan de auto heeft geconstateerd en heeft opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
4.6.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft verwezen naar zijn taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Op de foto van de motorkap ziet de rechtbank geen schade en, gelet op de leeftijd van de auto (11 maanden) en de gereden kilometers (13.856), zijn (lichte) gebruikssporen normaal. De aankoopprijs van de auto geeft ook een indicatie dat de auto niet meer beschadigingen heeft dan de gemiddelde auto uit het marktonderzoek van DRZ. Dat, zoals belanghebbende stelt, binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat een of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. De inspecteur is niet gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld omdat het niet zijn beleid is.
4.7.
Voorgaande betekent dat geen aanleiding bestaat om de handelsinkoopwaarde van € 60.000 te verminderen wegens schade. Al hetgeen de inspecteur voor het overige nog met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer.
Hoogte van de naheffingsaanslag
4.8.
Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 82.436 en een handelsinkoopwaarde van € 60.000 is de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog vastgesteld. De rechtbank laat de naheffingsaanslag daarom in stand.
Immateriële schadevergoeding
4.9.
Belanghebbende heeft op 11 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.10.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 25 augustus 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 17 juni 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 10 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.000. Dit bedrag komt voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.000.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [3] , wat neerkomt op € 233,50. De Staat moeten die kosten vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [4] , maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.000;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 17 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [5]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
3.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
4.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.
5.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.