Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4669

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
25/5906 WAJONG
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 1a:1 WajongAlgemene wet bestuursrechtWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaalde Wajong-aanvraag wegens ontbreken nieuwe feiten en toegenomen arbeidsongeschiktheid

Eiseres heeft in 2015 een Wajong-uitkering aangevraagd die door het UWV werd geweigerd omdat zij over arbeidsvermogen beschikte. Na een ziekmelding in 2018 en beëindiging van de Ziektewet-uitkering, vroeg eiseres in 2024 opnieuw een Wajong-uitkering aan. Het UWV handhaafde het eerdere besluit omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangetoond.

Eiseres voerde aan dat zij door nieuwe medische informatie, waaronder rapportages over ME/CVS en psychische aandoeningen, haar arbeidsvermogen duurzaam had verloren. De rechtbank oordeelde dat deze informatie geen nieuwe feiten bevatte die niet reeds in 2015 bekend waren en dat de klachten al waren meegewogen. Ook was er geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen de Amber-periode.

De rechtbank concludeerde dat het UWV terecht bij het eerdere besluit is gebleven en dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter J. van Alphen op 28 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit van 20 juli 2015 wordt gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5906 WAJONG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.L.A.M. van Os),
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het UWV om terug te komen van het besluit van 20 juli 2015 omtrent de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening Jonggehandicapten (Wajong) en het niet aannemen van toegenomen arbeidsongeschiktheid (Amber-bepaling). Eiseres is het hiermee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV bij de besluitvorming heeft mogen blijven.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het UWV het bestreden besluit in stand heeft mogen gelaten
.Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak, met de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De standpunten van partijen staan onder 3. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

Voorafgaand
2.1.
Eiseres heeft zich op 23 maart 2015 gemeld bij het UWV om een Wajong-uitkering aan te vragen. In dat kader heeft zij een gesprek gehad met een arts en een arbeidsdeskundige van het UWV. Vervolgens heeft het UWV met besluiten van 20 juli 2015 geweigerd om aan eiseres een Wajong-uitkering toe te kennen, omdat zij over arbeidsvermogen beschikt, en is eiseres opgenomen in het doelgroepregister voor de banenafspraak.
2.2.
Per 20 juni 2018 heeft eiseres zich ziek gemeld voor haar werk wegens medische klachten. In het kader van de daarop volgende uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) heeft het UWV een verzekeringsgeneeskundige Eerstejaars Ziektewetbeoordeling uitgevoerd, waarna het UWV de ZW-uitkering van eiseres heeft beëindigd.
Primaire fase
2.3.
Eiseres heeft zich op 17 april 2024 opnieuw gemeld bij het UWV om een Wajong-uitkering aan te vragen. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het UWV met een besluit van 14 oktober 2024 (primair besluit) aan eiseres laten weten dat het bij de eerdere weigering blijft, omdat eiseres bij haar aanvraag geen nieuwe informatie heeft vermeld.
Bezwaarfase
2.4.
Eiseres was het niet eens met het primaire besluit, heeft daarom bezwaar gemaakt tegen dit besluit en heeft aanvullende bezwaargronden overgelegd.
2.5.
Na een ingebrekestelling wegens het uitblijven van een beslissing op het bezwaar van eiseres, heeft het UWV met een besluit van 22 juli 2025 de maximale dwangsom van
€ 1.442,- aan eiseres toegekend.
2.6.
Na een verzekeringsgeneeskundige herbeoordeling heeft het UWV met een van
15 oktober 2025 (bestreden besluit) het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Dit betekent dat het UWV bij het primaire besluit is gebleven.
Beroepsfase
2.7.
Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarom bij deze rechtbank beroep in gesteld, waarbij zij ook aanvullende medische informatie heeft overgelegd.
2.8.
Het UWV heeft een verweerschrift overgelegd met een aanvullende rapportage van de verzekeringsarts b&b van 7 januari 2026 over de in beroep door eiseres overgelegde medische informatie.
2.9.
Partijen zijn – zoals zij aan de rechtbank hebben bericht – niet verschenen op de zitting van 7 mei 2026.

Standpunten van partijen

3.1.
Eiseres heeft in beroep voornamelijk haar bezwaargronden herhaald. Eiseres stelt dat de in bezwaar door haar overgelegde (ongedateerde) aanvullende brief van psychiater [psychiater] onder nieuwe feiten en gegevens valt en dat hieruit moet worden afgeleid dat zij haar arbeidsvermogen tussen haar 18 en 23 jaar duurzaam heeft verloren. Verder stelt eiseres dat uit de verklaring van het [vermoeidheidskliniek] van 7 oktober 2025 blijkt dat er al op
1 januari 2005 sprake was van klachten die nooit geheel zijn verdwenen en zich progressief hebben ontwikkeld. Ook hieruit moet de conclusie worden getrokken dat er in de periode in geding sprake was van verlies van arbeidsvermogen.
3.2.
Het UWV heeft in het verweerschrift aangevoerd dat er op basis van de aanvullende rapportage van de verzekeringsarts b&b van 7 januari 2026 geen aanleiding is om het in bezwaar ingenomen standpunt te wijzigen. De verzekeringsarts b&b heeft in zijn aanvullende rapportage aangegeven dat het onderzoek van [vermoeidheidskliniek] van jaren na de relevante periode is en dus niets zegt over het functioneren van eiseres in die periode. Bovendien waren de energetische problemen al bekend bij de beoordeling in 2015 en zijn die toen ook meegewogen.

Beoordeling door de rechtbank

4. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het UWV heeft mogen blijven bij het bestreden besluit over de laattijdige herhaalde aanvraag van eiseres. De rechtbank zal hieronder beoordelen of dat het geval is.
Laattijdige aanvraag
4.1.
Uit vaste rechtspraak van de CRvB [1] volgt dat voor laattijdige aanvragen om een arbeidsongeschiktheidsuitkering geldt dat voor zover er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn over de gezondheidstoestand in de van belang zijnde periodes en het medische beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen, deze omstandigheden voor risico van eiseres komen. [2] De bewijslast en het bewijsrisico liggen bij de aanvrager. [3] Er kunnen slechts beperkingen worden aangenomen voor zover dit volgt uit beschikbare medische gegevens.
Herhaalde aanvraag (kader)
4.2.
Op grond van vaste rechtspraak dient na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die arbeidsongeschiktheidsuitkering een dergelijke aanvraag naar haar strekking te worden beoordeeld. [4] Met een herhaalde aanvraag kan worden bedoeld:
- dat met ingang van de datum waarop dat besluit zag wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van Pro de Awb), (herhaalde aanvraag);
- een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Amber-melding); of
- om een herziening te verzoeken voor de toekomst (duuraanspraak).
4.3.
De rechtbank stelt vast dat het UWV de aanvraag van eiseres op de meest omvattende manier heeft beoordeeld. Uit het dossier blijkt dat de aanvraag van eiseres door het UWV is beoordeeld als een verzoek om terug te komen op het besluit van 20 juli 2015, een beroep op toegenomen arbeidsongeschiktheid en een verzoek om herziening voor de toekomst.
De door eiseres overgelegde informatie
4.4.
Eiseres heeft bij de aanvraag in 2024 een rapportage diagnostisch onderzoek van het Autisme Expertisecentrum uit 2023, een brief van [psychologenpraktijk] van 12 maart 2019, een (ongedateerde) brief van psychiater [psychiater] en een brief van huisarts [huisarts] van 17 mei 2024 overgelegd. Uit deze informatie volgt dat meermaals psychologisch onderzoek bij eiseres is verricht, waarbij eiseres vele klachten meldt en dat bij eiseres ASS, ADHD, insomniastoornis en mild traumatic brain injury (lichte NAH) is vastgesteld. Ook volgt hieruit dat eiseres is gestart met medicatie voor de klachten die deze aandoeningen veroorzaken, waarna lichte verbetering werd gezien. In de bezwaarfase heeft eiseres een (ongedateerde) aanvullende brief van psychiater [psychiater] overgelegd, waarin hij zijn visie op de klachten van eiseres, haar behandelmogelijkheden en haar zorgbehoefte heeft beschreven. Uit de brief van [vermoeidheidskliniek] van 7 oktober 2025 – die eiseres in beroep heeft overgelegd – volgt dat eiseres bij onderzoek voldeed aan de criteria voor ME/CVS.
Terugkomen van het besluit van 20 juli 2015 (verleden)
4.5.
Bij het eerdere besluit van 20 juli 2015 heeft het UWV beoordeeld of eiseres op haar 18e jaar (10 december 2010) arbeidsvermogen had. Het UWV heeft geoordeeld dat dat het geval was. Eiseres moet daarom nieuwe feiten of veranderde omstandigheden stellen die betrekking hebben op die beoordeling, de zogenaamde juridische nova, om tot een eventueel terugkomen op het eerdere besluit te kunnen komen.
4.6.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Eiseres moet dus aan de hand van nieuwe feiten of omstandigheden aantonen dat al eerder sprake was van een duurzaam gebrek aan arbeidsvermogen, anders dan werd aangenomen bij de besluitvorming op haar eerdere Wajong-aanvraag.
4.7.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het bij het vaststellen van arbeidsvermogen niet zozeer gaat om de diagnose, maar om de beperkingen die daaruit voortvloeien. Zoals de verzekeringsarts b&b in bezwaar en in beroep heeft aangegeven, was de arts bij de beoordeling in 2015 al bekend met de klachten die eiseres in beroep stelt, waaronder prikkelverwerkingsklachten en energetische klachten. Dit is vanaf 2015 ook in alle beoordelingen meegenomen. De gegevens bij de huidige aanvraag sluiten aan bij wat al bekend was op dit gebied en geven geen blijk van een geheel nieuw feitencomplex. Verder zijn er in bezwaar en in beroep geen wezenlijk andere klachten naar voren gekomen, waarmee de (verzekerings)artsen van het UWV nog geen rekening hebben gehouden in hun beoordelingen. Het UWV heeft dan ook terecht geconcludeerd dat bij eiseres geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden op grond waarvan moet worden teruggekomen van het eerdere besluit op haar Wajong-aanvraag.
Toegenomen arbeidsongeschiktheid (Amber-melding)
4.8.
Van een Amber-situatie is sprake als eiseres binnen vijf jaar na haar achttiende verjaardag duurzaam geen arbeidsvermogen heeft en dat ontbreken van arbeidsvermogen voortkomt uit dezelfde oorzaak als waardoor zij op haar achttiende jaar al beperkingen had. Bij een Amber-claim moet het UWV onderzoeken of aanleiding bestaat in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de achttiende verjaardag een uitkering toe te kennen. In dit geval loopt de Amber-periode van 10 december 2010 tot en met 10 december 2015.
4.9.
In overweging 4.7. heeft de rechtbank al overwogen dat zij de conclusie van de verzekeringsarts b&b en de daarbij gegeven toelichting volgt. Dit betekent dat eiseres met de door haar overgelegde medische informatie niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de Amber-periode toegenomen arbeidsongeschikt was vanuit dezelfde ziekteoorzaak.
Herziening voor de toekomst (duuraanspraak)
4.10.
Bij een duuraanspraak wordt van eiseres verwacht dat zij feiten of omstandigheden vermeldt die aanleiding (kunnen) geven tot een ander, gunstiger, besluit dan het besluit waarvan herziening wordt gevraagd. Met name zijn hierbij feiten en omstandigheden relevant die – ten minste ook – zien op de voor het oorspronkelijke besluit geldende beoordelingsdatum. Alleen als eiseres haar aanvraag voldoende heeft onderbouwd, moet het UWV onderzoeken of en in hoeverre het oorspronkelijke besluit onjuist was.
4.11.
De rechtbank volgt de verzekeringsarts b&b in zijn standpunt dat uit de overgelegde informatie niet naar voren komt dat tijdens de relevante periode al sprake was van een structureel andere medische situatie met hierdoor ook andere of forsere beperkingen in het functioneren van eiseres. De rechtbank is daarom van oordeel dat het UWV terecht herziening voor de toekomst heeft geweigerd. Wat eiseres verder heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Evident onredelijk
4.12.
Bij de beoordeling van de vraag of de afwijzing van het verzoek evident onredelijk is, kan de omstandigheid dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is worden betrokken. In wat eiseres heeft aangevoerd wordt echter geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het besluit van 20 juli 2015 onmiskenbaar onjuist is. Een oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of een summier onderzoek moet voldoende zijn om te kunnen concluderen dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is. [5] Gelet op wat hiervoor is overwogen, is daarvan in dit geval geen sprake.

Conclusie en gevolgen

5. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit stand kan houden. De beroepsgronden van eiseres slagen niet. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug en zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van
mr.A.M. Pasmans, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:6
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de Pro aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Wajong
Artikel 1a:1. Jonggehandicapte
1. Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
2. De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.
3. De ingezetene die tijdelijk geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft wordt alsnog jonggehandicapte, indien hij gedurende een tijdvak van tien jaar volgend op de dag waarop hij jonggehandicapte zou zijn geworden op grond van het eerste lid, onderdeel a of b, of het tweede lid, indien hij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zou hebben gehad, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had.
4. Onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot een periodieke herbeoordeling om vast te stellen of betrokkene duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.
6. De beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en voor zover nodig een arbeidskundig onderzoek.
7. Bij de beoordeling, bedoeld in het zesde lid, maakt de verzekeringsarts zo veel mogelijk gebruik van wetenschappelijke inzichten die de beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie kunnen ondersteunen.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste, vierde en zesde lid nadere regels worden gesteld.
9. De voordracht voor een krachtens het achtste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur, dan wel de vaststelling van een ministeriële regeling op basis van een dergelijke algemene maatregel van bestuur, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Voetnoten

1.Centrale Raad van Beroep.
2.Zie de uitspraak van CRvB van 20 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:407.
3.Zie de uitspraak van CRvB van 12 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4171.
4.Zie de uitspraken van de CRvB van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1 en ECLI:NL:CRVB:2015:2.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1961.