Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van €4.924 opgelegd door de inspecteur, die de oorspronkelijke aangifte en taxatie van belanghebbende betwistte. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld, mede omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de schade aan de auto hoger is dan door de inspecteur in aanmerking genomen.
De rechtbank weegt mee dat het verschil in CO2-uitstoot tussen de te registreren auto en de referentieauto waarschijnlijk samenhangt met opties die de handelsinkoopwaarde beïnvloeden. Belanghebbende heeft niet voldoende bewijs geleverd om dit te weerleggen. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, omdat de inspecteur in de beroepsfase een gewijzigd standpunt mag innemen.
Daarnaast heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van €1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar. De rechtbank verdeelt deze vergoeding tussen de inspecteur en de Staat. Tevens worden proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding toegekend, maar het griffierecht wordt niet vergoed.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding en een deel van de proceskosten.