Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3087

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
23/11773
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 3:4 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van €4.924 opgelegd door de inspecteur, die de oorspronkelijke aangifte en taxatie van belanghebbende betwistte. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld, mede omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de schade aan de auto hoger is dan door de inspecteur in aanmerking genomen.

De rechtbank weegt mee dat het verschil in CO2-uitstoot tussen de te registreren auto en de referentieauto waarschijnlijk samenhangt met opties die de handelsinkoopwaarde beïnvloeden. Belanghebbende heeft niet voldoende bewijs geleverd om dit te weerleggen. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, omdat de inspecteur in de beroepsfase een gewijzigd standpunt mag innemen.

Daarnaast heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van €1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar. De rechtbank verdeelt deze vergoeding tussen de inspecteur en de Staat. Tevens worden proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding toegekend, maar het griffierecht wordt niet vergoed.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding en een deel van de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11773
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 15 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services BV),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.924.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin en namens de inspecteur
mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Feiten

2. Belanghebbende heeft op 16 september 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Audi SQ7 met VIN-nummer [nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 17.175.
2.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
2.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 22.099 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

3. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag naar een te hoog bedrag is vastgesteld.
Herleidingsmethode
3.1.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Afschrijvingsmethode
3.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat er schade aanwezig is aan de auto en daarom de taxatiemethode kan worden toegepast.
3.3.
Belanghebbende stelt dat rekening gehouden moet worden met een schadebedrag van €10.617. De inspecteur is van mening dat er rekening gehouden moet worden met de door DRZ geconstateerde schade van € 848.
3.4.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van de in aanmerking genomen schade verwezen naar haar taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een grotere vermindering vanwege schade dan die al door de inspecteur in aanmerking is genomen. Belanghebbende heeft verwezen naar het taxatierapport en in de aanvullende beroepsgronden een aantal foto’s van de auto opgenomen maar daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een hoger schadebedrag dan het bedrag wat tussen partijen niet in geschil is. De rechtbank acht ook op basis van de overgelegde factuur niet aannemelijk dat sprake is van meer schade dan waar al rekening mee is gehouden. De factuur is van na de datum van de aangifte, noemt geen gegevens die specifiek naar deze auto zijn te herleiden en werpt geen licht op het moment waarop de werkzaamheden zijn uitgevoerd en of deze dus voor of na het moment van registratie hebben plaatsgevonden.
Historische nieuwprijs
3.5.
Tussen partijen is vast komen te staan dat de historische nieuwprijs van de auto
€ 211.082 bedraagt
Handelsinkoopwaarde
3.6.
Belanghebbende stelt dat uitgegaan dient te worden van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat zoals door DRZ is gehanteerd op basis van de koerslijst X-Ray. Volgens belanghebbende heeft het verschil in CO2-uitstoot van 12 gram tussen de te registreren auto en de referentieauto geen hogere handelsinkoopwaarde tot gevolg. Ter onderbouwing van zijn stelling voert belanghebbende aan dat een bedrag van € 40.000 aan opties in de koerslijst is verwerkt. Volgens belanghebbende mag de inspecteur daarnaast niet terugkomen op de handelsinkoopwaarde die hij heeft gebruikt bij het opleggen van de naheffingsaanslag. Belanghebbende stelt dat een wijziging van de nieuwprijs geen nadelige gevolgen voor belanghebbende tot gevolg mag hebben.
3.7.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de hogere historische nieuwprijs meebrengt dat voor de te registreren auto ook van een hogere handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat) moet worden uitgegaan. Volgens de inspecteur is niet duidelijk of de (enkele) handmatige aanpassing van de CO2-uitstoot bij de rubriek ‘CO2 klant’ doorwerkt naar de waardering. De in de koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde is namelijk gebaseerd op een referentieauto met een CO2-uitstoot van 271 gr/km, terwijl de te registreren auto een CO2-uitstoot van 283 gr/km heeft. Volgens de inspecteur is de handelsinkoopwaarde van de te registreren auto hoger, omdat de hogere CO2-uitstoot verband houdt met de uitvoering en/of opties van de te registeren auto. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende de bewijslast om aannemelijk te maken wat de afwijkingen zijn van de te registreren auto ten opzichte van de referentieauto en welke gevolgen dit heeft voor de handelsinkoopwaarde. De inspecteur verwijst verder naar de inkoopfactuur en een andere koerslijst.
3.8.
De rechtbank overweegt dat in het onderhavige geval de inspecteur gemotiveerd de door de belastingplichtige verdedigde vermindering heeft betwist, en het daarom op de weg van belanghebbende ligt om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering onderbouwen. [2] Dit betekent dat belanghebbende het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus tot een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet in die bewijslast geslaagd. Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt waardoor het verschil in CO2-uitstoot wordt veroorzaakt, neemt de rechtbank als uitgangspunt dat een verschil in CO2-uitstoot zoals in onderhavige geval aan de orde is, te weten een verschil van 12 gr/km, zijn oorzaak moet vinden in een verschil in CO2-verhogende opties. Een dergelijk verschil in opties heeft gevolgen voor de handelsinkoopwaarde. Belanghebbende heeft onvoldoende inzicht gegeven in hoe in de koerslijst rekening is gehouden met dergelijke CO2-verhogende opties.
3.9.
Volgens belanghebbende kan de inspecteur niet terugkomen op de handelsinkoopwaarde die bij de het opleggen van naheffingsaanslag is gebruikt. Belanghebbende beroept zich daartoe op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank volgt deze stelling niet. Het staat de inspecteur in beginsel vrij om in de beroepsfase een nader standpunt in te nemen. Ook uit de door belanghebbende overgelegde e-mail volgt niet dat de inspecteur dat in dit geval niet kon doen. Belanghebbende miskent dat de e-mail niets zegt over de standpuntbepaling van de inspecteur binnen het toepassen van de koerslijstmethode.
3.10.
Gelet op het voorgaande is de naheffingsaanslag niet te hoog vastgesteld.
Immateriëleschadevergoeding
4. Belanghebbende heeft op 11 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 16 februari 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 15 april 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 14 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.2.
Omdat de bezwaarfase afgerond 9 maanden heeft geduurd en daarmee 3 maanden te lang, komt € 321,43 (3/14e) voor rekening van de inspecteur en € 1178,57 (11/14e) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding van € 1.500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [3] , wat neerkomt op € 233,50. De inspecteur moet € 116,75 en de Staat € 116,75 van dit bedrag vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriële schadevergoeding is weliswaar gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [4] , echter op die datum was de redelijke termijn nog niet verstreken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 321,43;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 1.178,57;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.M.P. Dees, griffier op 15 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 november 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3376.
3.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2.
4.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1 en 7.1.2.