ECLI:NL:RBZWB:2026:184

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
24/4730 t/m 24/4732, 25/5615 t/m 25/5617 en 25/5619
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Heffing van kansspelbelasting over bonusinzetten bij online kansspelen

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 15 januari 2026, wordt de heffing van kansspelbelasting over bonusinzetten bij online kansspelen beoordeeld. De belanghebbende, gevestigd in Malta, heeft tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beroep aangetekend. De rechtbank behandelt de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van 11 april 2024, waarbij de inspecteur de bezwaren ongegrond verklaarde. De rechtbank concludeert dat de heffing van kansspelbelasting over de nominale waarde van bonusinzetten terecht is, omdat de wetgever het begrip 'ontvangen inzetten' niet enkel bedrijfseconomisch heeft opgevat. De rechtbank oordeelt dat de bonussen, die door belanghebbende aan spelers worden verstrekt, als inzet kunnen worden aangemerkt en dat de waarde van de bonus gelijk is aan de nominale waarde waarvoor de speler deze kan inzetten. De rechtbank wijst ook de argumenten van de belanghebbende af dat er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel en dat de waarde van de bonusinzetten nihil zou zijn. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat de belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van kansspelbelasting of vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/4730 tot en met 24/4732, 25/5615 t/m 25/5617 en 25/5619
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 15 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [woonplaats] (Malta), belanghebbende

(gemachtigde: mr. T.J. Kok),
en

de inspecteur van de Belastingdienst.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 11 april 2024.
1.1.
Belanghebbende heeft voor de volgende tijdvakken tot de volgende bedragen kansspelbelasting op aangifte voldaan, aan welke zaken de rechtbank de volgende zaaknummers heeft toegekend:
Tijdvak
Voldoening op aangifte
Zaaknummer
Oktober 2022
€ 80.489
24/4730
December 2022
€ 953.988
24/4731
Januari 2023
€ 1.035.151
24/4732
Februari 2023
€ 894.606
25/5615
Maart 2023
€ 968.554
25/5616
April 2023
€ 915.353
25/5617
Mei 2023
€ 1.183.355
25/5619
1.2.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Zowel belanghebbende als de inspecteur heeft een nader stuk ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 13 november 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met de beroepen van [bedrijf 1] , [B.V.] B.V. en [bedrijf 2] . Hieraan hebben deelgenomen: namens [bedrijf 1] , [vertegenwoordiger 1] , namens [B.V.] B.V., [vertegenwoordiger 2] , [vertegenwoordiger 3] en [vertegenwoordiger 4] , namens [bedrijf 2] , [vertegenwoordiger 5] , de gemachtigde van belanghebbende, en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] , mr. [inspecteur 3] , mr. [inspecteur 4] , mr. [inspecteur 5] en mr. [inspecteur 6] . Van hetgeen op de zitting is besproken is één proces-verbaal opgemaakt, waarvan de rechtbank gelijktijdig met deze uitspraak een afschrift naar partijen heeft verzonden.
1.5.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht uiterlijk 15 januari 2026 uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende tot te hoge bedragen kansspelbelasting op aangifte heeft voldaan. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank zal de beroepen ongegrond verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende houdt een vergunning tot het organiseren van kansspelen op afstand als bedoeld in artikel 31a, eerste lid, van de Wet op de kansspelen (de Wok) en is belastingplichtig voor de kansspelbelasting als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de kansspelbelasting (Wet KSB). Belanghebbende biedt online kansspelen aan via haar website [website] , waaronder (live) casinospellen.
3.1.
Een speler die een online kansspel wil spelen bij belanghebbende, moet eerst een speelrekening openen. Een speler kan het speeltegoed op de speelrekening te allen tijde terugboeken naar zijn bankrekening. Het speeltegoed op de speelrekening kan niet vervallen.
3.2.
Voor promotionele doeleinden biedt belanghebbende (bepaalde) spelers de mogelijkheid om gratis een kansspel te spelen. Hiertoe verstrekt belanghebbende verschillende soorten bonussen (welkomstbonussen, stortingsbonussen en free spins). Een bonus heeft een nominale waarde en wordt door belanghebbende op een afzonderlijke omgeving van de speelrekening (de bonus balans) van de speler gezet. Een speler kan de nominale waarde van een bonus niet laten uitkeren, hij kan hiermee alleen (gratis) voor die waarde een kansspel spelen (de bonusinzet). Als een speler een bonus inzet en wint, dan wordt de gewonnen prijs aan de bonus balans toegevoegd. Als aan de voor die bonus geldende vereisten is voldaan (een bepaald bedrag is gestort, ingezet of (door)gespeeld; hierna samen de doorspeelvereisten), wordt het op dat moment resterende saldo behaald met de bonus overgezet naar de speelrekening (bonus to cash). Dan kan de speler het betreffende bedrag wél laten uitkeren naar zijn bankrekening.
3.3.
Belanghebbende heeft voor elk in 1.1 genoemd tijdvak aangifte kansspelbelasting gedaan van het bruto spelresultaat, zijnde het verschil tussen de ontvangen inzetten en de ter beschikking gestelde prijzen. Bij de vaststelling van het bruto spelresultaat heeft belanghebbende – vanwege het bij haar bekende standpunt van de inspecteur – de nominale waarde van de bonusinzetten tot de ontvangen inzetten gerekend. De met de bonusinzetten gewonnen prijzen zijn – ook overeenkomstig het standpunt van de inspecteur – tot de prijzen gerekend als deze weer zijn ingezet dan wel voor zover deze zijn toegevoegd aan de speelrekening.
3.4.
In bezwaar heeft belanghebbende aangevoerd dat zij geen kansspelbelasting is verschuldigd over de nominale waarde van de bonusinzetten, omdat deze niet tot de ontvangen inzetten moeten worden gerekend.
3.5.
Belanghebbende heeft in beroep verzocht om de volgende teruggaven:
Tijdvak
Betaalde belasting over bonusinzetten
Oktober 2022
€ 8.763
December 2022
€ 75.019
Januari 2023
€ 49.864
Februari 2023
€ 47.564
Maart 2023
€ 55.270
April 2023
€ 63.555
Mei 2023
€ 66.822

Beoordeling door de rechtbank

Juridisch kader
4. Artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet KSB luidt:
“De belasting wordt geheven:
in de gevallen waarin artikel 1, onderdeel a, b, c, d, e of f, van toepassing is, naar het verschil tussen de in een tijdvak ontvangen inzetten en de ter beschikking gestelde prijzen en naar hetgeen in een tijdvak anders dan als inzet ontvangen is voor het geven van gelegenheid tot deelneming aan kansspelen;”
4.1.
In de memorie van toelichting [1] voorafgaand aan de invoering van de heffing van kansspelbelasting met betrekking tot casinospelen in 1981, is het volgende opgemerkt:
“In het vorenstaande is vermeld dat, voor zover er sprake is van spelen tegen het casino, als maatstaf van heffing wordt aangewezen het behaalde brutospelresultaat. Dit is een internationaal bekend begrip waarmede, zoals gezegd, wordt bedoeld de brutowinst die de casino-organisator uit het roulettespel geniet, te weten het verschil tussen de inzetten van en de uitkeringen aan de spelers.”
4.2.
In de memorie van toelichting [2] voorafgaand aan de wijziging van de Wet op de kansspelen, de Wet op de kansspelbelasting en enkele andere wetten in verband met het organiseren van kansspelen op afstand in 2021 is onder meer het volgende opgemerkt:
“Het verstrekken van bonussen is een belangrijke vorm van marketing van kansspelen op afstand. Bonussen zijn onmisbaar voor een attractief legaal aanbod van kansspelen op afstand. (…)
Bonussen zullen voor de aanbieder niet fiscaal aftrekbaar zijn en tellen daarom mee in de omvang van het bruto spelresultaat waarover belasting geheven wordt. Hiermee wordt voorkomen dat een prikkel wordt gecreëerd voor vergunninghouders om onbeperkt bonussen te verstrekken.
(…)
Om die reden wordt voorgesteld als grondslag voor de kansspelen op afstand aan te houden het zogeheten bruto spelresultaat. In het eerste subonderdeel van artikel 33e, tweede lid, is dit omschreven als het verschil tussen de ontvangen inzetten en de uitgekeerde prijzen. Tot de inzetten worden hierbij ook gerekend de speeltegoeden die de vergunninghouder de speler gratis ter beschikking stelt om mee te kunnen spelen (bonussen). Deze worden niet gerekend tot de prijzen, aangezien zij door de speler niet te gelde kunnen worden gemaakt. (…)
Onder de huidige Wet KSB is de belastinggrondslag voor kansspelen waarop artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet KSB, van toepassing is het verschil tussen de in een tijdvak (kalendermaand) ontvangen inzetten en de ter beschikking gestelde prijzen, oftewel het bruto spelresultaat, tenzij een ander dan de belastingplichtige de prijzen ter beschikking stelt. (…) Bij kansspelen op afstand worden door de aanbieder soms bonussen verstrekt, bijvoorbeeld om speler ertoe te bewegen een bedrag (speeltegoed) van de betaalrekening van de speler te storten naar de spelersrekening bij de aanbieder. Als de aanbieder een bonus geeft van € 25 bij het storten van € 50, bedraagt het speeltegoed € 75. Als de speler deze € 75 inzet en daarmee € 60 aan prijzen wint, bedraagt het bruto spelresultaat € 15. Dit bedrag wordt gevormd door de inzetten van € 75 te verminderen met de prijzen van € 60.”
Is terecht kansspelbelasting geheven over de bonusinzetten?
4.3.
Belanghebbende stelt primair dat geen kansspelbelasting is verschuldigd over bonusinzetten. Belanghebbende stelt, onder verwijzing naar het Besluit kansspelen op afstand (het Besluit) dat de door haar verstrekte bonussen geen speeltegoed vormen dat door een speler van de speelrekening wordt ingezet. Inzetten zouden alleen van de speelrekening kunnen worden gedaan en alleen met wettige betaalmiddelen (ook hierbij verwijst belanghebbende naar het Besluit). Verder stelt belanghebbende dat een bonus niet wordt blootgesteld aan het kansspel. De in 4.2 aangehaalde wetsgeschiedenis zou posterieur zijn omdat het begrip bruto spelresultaat al veel eerder is geïntroduceerd (zie 4.1), zodat de wettekst, die duidelijk is, niet op basis van die wetsgeschiedenis in het nadeel van belanghebbende kan worden uitgelegd. Tot slot stelt belanghebbende dat bij de belastingplicht van aanbieders van kansspelen die tijdelijk geen vergunning hebben voor het aanbieden van online kansspelen wordt aangesloten bij het genieten van opbrengst en dat het verstrekken van bonussen niet leidt tot het genieten van opbrengst.
4.4.
De rechtbank overweegt dat de wettekst geen uitleg geeft aan het begrip ‘ontvangen inzetten’. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de tekst van artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet KSB niet mee dat onder ontvangen inzetten alleen inzetten worden verstaan die door de speler zijn bekostigd met wettige betaalmiddelen en waarbij belanghebbende bedrijfseconomisch gezien een bedrag aan inzet ontvangt. De bonussen kunnen door de spelers ook worden gebruikt om een inzet te doen en een kansspel te spelen. Uit de wettekst volgt dus niet eenduidig of moet worden aangesloten bij de inzetten vanaf de speelrekening, of dat daar ook bonusinzetten onder vallen.
4.5.
De rechtbank heeft daarom in haar beoordeling tevens de bedoeling van de wetgever betrokken. Daaruit volgt dat het uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever is geweest om het spelen met een bonus als (belaste) inzet aan te merken (zie 4.2). De rechtbank merkt daarbij op dat belanghebbende bedrijfseconomisch bezien weliswaar geen inzet heeft ontvangen, maar dat de wetgever het begrip inzet bewust niet (enkel) bedrijfseconomisch heeft opgevat. De in 4.1 aangehaalde wetsgeschiedenis is niet posterieur, want deze ziet op de invoering van de wettelijke bepalingen voor het organiseren van kansspelen op afstand, zoals belanghebbende doet. Ten tijde van het invoeren van het begrip bruto spelresultaat was nog geen sprake van online gokken of het verstrekken van bonussen aan spelers, zodat kon worden volstaan met de uitleg van bruto spelresultaat als een belasting over de brutowinst. Bij de Wijziging van de Wet op de kansspelen, de Wet op de kansspelbelasting en enkele andere wetten is de tekst van artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet KSB niet aangepast omdat het daarin gehanteerde begrip “inzetten” voldoende ruim is om daaronder bonussen te kunnen begrijpen.
4.6.
Gelet op de wettekst en de wetsgeschiedenis en de uitleg die de rechtbank daaraan geeft, treffen belanghebbendes verwijzingen naar het Besluit geen doel. De door de rechtbank gegeven uitleg is niet in strijd met een teleologische uitleg van de wet. Weliswaar is bedoeld om kansspelen op afstand te reguleren en zijn om die redenen voorwaarden gesteld aan de speelrekening en de mogelijkheden om met eigen middelen inzetten te doen, maar dat neemt niet weg dat ook bonusinzetten worden gebruikt om inzetten te doen en het bestaan en noodzaak daarvan tevens is onderkend. Een teleologische interpretatie leidt daarom niet tot de beperking die belanghebbende voorstaat.
4.7.
De rechtbank is het tot slot niet met belanghebbende eens dat uit de omstandigheid dat aanbieders van kansspelen die tijdelijk geen vergunning hebben voor het aanbieden van online kansspelen pas belastingplichtig zijn als zij opbrengst genieten, valt af te leiden dat de wetgever tot doel heeft om alleen daadwerkelijke opbrengsten te belasten. Dit alleen is daarvoor onvoldoende.
Is de waarde van de bonusinzetten nihil?
4.8.
Subsidiair stelt belanghebbende dat de door haar verstrekte bonussen een waarde hebben van nihil omdat daaraan geen waarde in het economische verkeer kan worden toegekend. Daarmee zou de heffingsgrondslag van de verstrekte bonussen ook nihil zijn, zodat over de bonussen geen kansspelbelasting is verschuldigd.
4.9.
De rechtbank overweegt dat het, nu de wetgever bonussen heeft willen belasten (zie 4.2 en 4.5), niet relevant is of deze al dan niet een waarde in het economische verkeer hebben. De in acht te nemen waarde van een bonus voor de heffing van kansspelbelasting is gelijk aan de nominale waarde waarvoor de speler deze kan inzetten. Dat is immers de waarde van de (bonus)inzet waarmee wordt gespeeld.
Is sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel?
4.10.
Meer subsidiair stelt belanghebbende dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel omdat aanbieders van kansspelen die tijdelijk geen vergunning hebben voor het aanbieden van online kansspelen pas kansspelbelasting zijn verschuldigd als zij daadwerkelijk opbrengst genieten en omdat aanbieders van fysieke kansspelen kansspelbelasting betalen over de bruto winst.
4.11.
De rechtbank stelt vast dat de gestelde schending van het gelijkheidsbeginsel voortvloeit uit de Wet KSB, een wet in formele zin. Het in die wet gemaakte onderscheid kan daarom niet aan het gelijkheidsbeginsel van de Grondwet worden getoetst gelet op het grondwettelijk toetsingsverbod (artikel 120 van de Grondwet). Wel kan dat onderscheid worden getoetst aan de discriminatieverboden die zijn opgenomen in artikel 26 van het IVBPR en in artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Daarbij dient het uitgangspunt te zijn dat aan de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. Het oordeel van de wetgever dient op dit punt te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond is ontbloot.
4.12.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, op wie in dit opzicht de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van rechtens en feitelijk vergelijkbare gevallen. Deze aanbieders bevinden zich voor wat betreft de belastingplicht in een andere situatie. Voor wat betreft de maatstaf van heffing worden zij gelijk behandeld. Belanghebbende heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat aanbieders van kansspelen die tijdelijk geen vergunning hebben voor het aanbieden van online kansspelen en aanbieders van fysieke kansspelen geen kansspelbelasting betalen over door hen verstrekte bonussen.
Is sprake van schending van artikel 1 EP?
4.13.
Belanghebbende stelt nog meer subsidiair dat de heffing van kansspelbelasting over bonusinzetten een inbreuk is op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (artikel 1 EP).
4.14.
De rechtbank stelt voorop dat belastingheffing volgens vaste rechtspraak van het EHRM is te beschouwen als regulering van eigendom in de zin van artikel EP en dient elke inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom in overeenstemming te zijn met het nationale recht (‘lawfulness’) en een legitiem doel in het algemeen belang na te streven (‘legitimate aim’), terwijl een inbreuk slecht is toegestaan indien er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist een redelijke verhouding (‘fair balance’) tussen voormeld algemeen belang en de bescherming van de individuele rechten. Van een dergelijke verhouding is geen sprake indien de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keuze van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe. [3] Het oordeel van de wetgever dient te worden geëerbiedigd, tenzij dat van redelijke grond ontbloot is. [4] Een keuze van de wetgever binnen die beoordelingsvrijheid kan voor een belastingplichtige alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen. [5]
4.15.
De rechtbank overweegt dat heffing van kansspelbelasting over bonusinzetten in overeenstemming is met artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet KSB (zie 4.5) en voorzienbaar was (zie de in 4.2 aangehaalde memorie van toelichting), zodat is voldaan aan het vereiste van ‘lawfulness’. Dat over bonusinzetten kansspelbelasting wordt geheven dient verder een algemeen belang, nu daarmee wordt voorkomen dat een prikkel wordt gecreëerd voor vergunninghouders om onbeperkt bonussen te verstrekken (zie 4.1). Dat bonusinzetten belast zijn is ook evenredig aan het daarmee te dienen doel, te weten dat niet teveel bonussen worden verstrekt. Dat zodoende het voortbestaan van de legale sector van online kansspelen als geheel in gevaar komt, is niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat het niet van redelijke grond ontbloot is om de bonussen in het bruto spelresultaat te betrekken, ook al heeft dit tot gevolg dat wordt afgeweken van hetgeen bedrijfseconomisch onder omzet wordt verstaan.
4.16.
Voor zover belanghebbende stelt dat sprake is van een individuele en buitensporige last, overweegt de rechtbank dat belanghebbende niet heeft gesteld – en dus ook niet aannemelijk gemaakt – dat zij in verhouding tot haar branchegenoten onevenredig zwaar door de belastingheffing over bonusinzetten is getroffen en wel op een zodanige wijze, dat die is te kenschetsen als een individuele en buitensporige last.
4.17.
Tot slot heeft belanghebbende gesteld dat zij ten onrechte op andere wijze in de heffing wordt betrokken dan 1) landgebonden casino’s en kansspelautomatenexploitanten en 2) illegale (buitenlandse) aanbieders. De rechtbank is van oordeel dat in beide gevallen niet feitelijk en rechtens sprake is van gelijke gevallen en daarom geen sprake is van een schending van artikel 1 EP. Bij online kansspelen bij illegale (buitenlandse) aanbieders vindt de heffing op geheel andere wijze plaats, namelijk door de prijs bij de speler te belasten en niet aan te sluiten bij het bruto spelresultaat van de aanbieder. Dat acht de rechtbank ook niet van redelijke grond ontbloot. De heffing bij landgebonden casino’s en kansspelautomatenexploitanten vindt wel plaats aan de hand van het bruto spelresultaat. Voor zover deze op andere wijze wordt berekend, vindt dat zijn grond in de feitelijk andere positie van die aanbieders. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat bonussen bij online kansspelen een veel grotere en een andere rol innemen. Het is dan ook niet van redelijke grond ontbloot om – als en voor zover sprake is van een verschil in de grondslag voor de heffing – bonussen bij online kansspelen wel in de grondslag te betrekken.
Tussenconclusie
4.18.
Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, dienen de in 1.1 bedoelde op aangifte voldane bedragen niet te worden verminderd omdat daarin kansspelbelasting over bonusinzetten is begrepen.
Rente
4.19
Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht eventuele teruggaven te vermeerderen met rente.
4.2
De rechtbank overweegt dat belanghebbende reeds geen recht heeft op vergoeding van rente, aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van kansspelbelasting.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 15 januari 2026 door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, voorzitter, en mr. A.H.W. Steijn en mr. T.S.K.L. Tjon, leden, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 1978-1979, 15358, nr. 3, p. 9.
2.Kamerstukken II 2013-2014, 33 996, nr. 3, p. 28, 29, 118 en 152.
3.Vgl. o.a. Hoge Raad 3 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BC2816, r.o. 3.8.1.
4.Hoge Raad 18 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:917.
5.Vgl. Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511, r.o. 3.2, Hoge Raad 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3103, r.o. 3.3.3 en Hoge Raad 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:442, r.o. 3.2.