ECLI:NL:RBZWB:2026:1752

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
23/11778
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:45 AwbArt. 10 lid 2 Wet BPMArt. 10 lid 8 Wet BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag BPM ontvangen van €4.533, gebaseerd op een hertaxatie door Dienst Domeinen Roerende Zaken, die een hogere waarde vaststelde dan de door belanghebbende opgegeven taxatiewaarde. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de lagere taxatiewaarde juist is, mede vanwege onvoldoende onderbouwing van de CO2-uitstootverschillen en de schadewaardering.

De rechtbank bespreekt uitgebreid de toepasselijkheid van de taxatiemethode, de afschrijvingspercentages en de waardering van schade, waarbij zij het standpunt van de inspecteur volgt dat de handelsinkoopwaarde niet automatisch verhoogd wordt bij een hogere historische nieuwprijs. Ook wordt het verschil in CO2-uitstoot als relevant voor de waardebepaling beschouwd.

Daarnaast heeft belanghebbende een verzoek ingediend voor immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateert een overschrijding van ongeveer 18 maanden en kent een vergoeding van €1.500 toe, waarvan een deel voor rekening van de inspecteur en een deel voor de Staat komt. Tevens worden proceskosten voor het indienen van dit verzoek deels toegewezen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst de naheffingsaanslag toe, maar kent de immateriële schadevergoeding en een deel van de proceskosten toe aan belanghebbende.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11778
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.533 aan verschuldigde Bpm (de naheffingsaanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 23 juni 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Ford Mondeo 2.0 Vignale met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 1.608. In de aangifte is een CO2-uitstoot vermeld van 211 gr/km. [1]
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
4.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 6.141 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.

Motivering

Vooraf
4.3.
De inspecteur heeft verzocht om met toepassing van artikel 8:45 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) belanghebbende te verplichten om de inkoopfactuur in te brengen. De rechtbank acht het niet zinvol om aan dit verzoek tegemoet te komen. Ook als belanghebbende een hogere prijs heeft betaald voor de auto, dan nog staat het belanghebbende in dit geval vrij om uit te gaan van een taxatiewaarde aan de hand van de koerslijstwaarde verminderd met een waardevermindering wegens schade (zie hierna in 4.4 tot en met 4.7). Voor zover de inspecteur vindt dat de inkoopfactuur een contra-indicatie zou kunnen opleveren van de door belanghebbende bepleite handelsinkoopwaarde, ziet de rechtbank daarin geen aanleiding om de inkoopfactuur op te vragen, aangezien de door belanghebbende bepleite waarde reeds om andere redenen niet wordt gevolgd (zie hierna in 4.15).
Afschrijvingsmethode
4.4.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. [2]
4.5.
De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast, onder meer omdat belanghebbende geen inkoopfactuur heeft overgelegd.
4.6.
De wijze van vaststellen van het afschrijvingspercentage wordt niet in artikel 10, lid 2, Wet BPM geregeld maar, voor wat betreft de taxatiemethode, in artikel 10, lid 8, Wet BPM. Deze methode beoogt te komen tot een waarde die de werkelijke waarde van het te registreren motorrijtuig zo goed mogelijk benadert en aldus een reële waardedaling van het desbetreffende motorrijtuig vast te stellen. Bij toepassing van de taxatiemethode geldt dat de taxateur als referentie voor het bepalen van een (bij benadering) reële waardedaling van het te registreren motorrijtuig ook gebruik kan maken van de handelsinkoopwaarde die is opgenomen in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor een referentievoertuig, dat wil zeggen een in zo’n koerslijst voorkomend gelijksoortig, in Nederland geregistreerd motorrijtuig waarvan de eigenschappen en de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het te registreren motorrijtuig. [3]
4.7.
Dat, zoals de inspecteur heeft gesteld, de taxateur van belanghebbende de fysieke opname in slechts 30 minuten heeft gedaan en in de disclaimer heeft opgenomen dat aan het taxatierapport geen rechten kunnen worden ontleend, heeft naar het oordeel van de rechtbank niet tot gevolg dat aan dat rapport geen waarde kan worden gehecht. [4] Evenmin geeft de door de inspecteur gestelde omstandigheid dat de inkoopfactuur niet is overgelegd, aanleiding om het taxatierapport buiten beschouwing te laten. Wel kan dit gevolgen hebben voor de bewijskracht die aan het taxatierapport toekomt. Dit geldt tevens voor de overige punten die de inspecteur ten aanzien van het taxatierapport heeft aangevoerd.
Waardevermindering wegens schade
4.8.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 8.884 en 85% hiervan, zijnde € 7.551, in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. De hertaxateur van DRZ heeft schade aan de auto geconstateerd van € 242 en 72% hiervan in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bedraagt alsdan € 9.996.
4.9.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade dan hetgeen reeds geconstateerd is door DRZ. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Al hetgeen de inspecteur verder heeft gesteld ten aanzien van het taxatierapport kan niet leiden tot een ander oordeel.
Historische nieuwprijs
4.10.
Belanghebbende heeft een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [5] en gesteld dat de historische nieuwprijs van de auto gesteld moet worden op € 68.552, gebaseerd op een netto catalogusprijs van € 31.188 vermeerderd met € 6.549 btw en € 30.815 bruto bpm. De netto catalogusprijs is conform de door DRZ vastgestelde netto catalogusprijs. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. De rechtbank zal de belanghebbende hierin volgen gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023. [6]
Handelsinkoopwaarde
4.11.
Belanghebbende bepleit een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat zoals volgt uit de koerslijst van XRay die door DRZ bij de hertaxatie is gebruikt.
4.12.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat als de historische nieuwprijs van de auto hoger is dan van de referentieauto dit er tevens toe leidt dat de handelsinkoopwaarde
van de auto hoger is. De inspecteur stelt dat de hoogte van de handelsinkoopwaarde recht evenredig samen hangt met de verhoging van de historische nieuwprijs, omdat de mate van afschrijving gelijk is aan die van de referentieauto en het afschrijvingspercentage dus gelijk blijft.
4.13.
De rechtbank volgt de stelling van de inspecteur met betrekking tot de ‘automatische’ verhoging van de inkoopwaarde niet. De rechtbank vindt voor de stelling dat het afschrijvingspercentage gelijk moet zijn aan die van de referentieauto ook geen aanknopingspunten in het arrest van de Hoge Raad [7] , zoals de inspecteur heeft gesteld. De rechtbank leidt uit rechtsoverwegingen 3.2.3 en 3.4. van het arrest van de Hoge Raad juist het tegendeel af, te weten dat het afschrijvingspercentage niet per definitie gelijk blijft. Het uitgangspunt is dat de werkelijke waardedaling voldoende wordt benaderd.
4.14.
Verder wijst de inspecteur naar het verschil in CO2-uitstoot tussen de auto en het referentievoertuig van 40 gr/km. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een hogere CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed op de handelsinkoopwaarde zal hebben. Die hogere CO2-uitstoot wordt immers veroorzaakt door een andere – over het algemeen duurdere – uitrusting of uitvoering. Dit heeft zeker te gelden voor een voertuig dat is geproduceerd voor de buitenlandse markt. In casu betreft het een voertuig dat geproduceerd is voor de Amerikaanse markt. Een USA-auto is niet te vergelijken met het Nederlandse referentievoertuig, dat is ook te zien aan het significante verschil in CO2-uitstoot van 40 gr/km. Hierdoor heeft de auto ook een hogere handelsinkoopwaarde, aldus de inspecteur. Belanghebbende heeft ter zitting hier tegenin gebracht dat het verschil in CO2-uitstoot wordt veroorzaakt door een verschil in meetmethode.
4.15.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende haar stelling dat het verschil in CO2-uitstoot wordt veroorzaakt door een verschil in meetmethode onvoldoende onderbouwd. Gelet op het grote verschil in CO2-uitstoot tussen de auto en het referentievoertuig en de verklaring die de inspecteur daar in dit geval voor heeft aangedragen, heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank de door haar gestelde handelsinkoopwaarde van € 9.996 niet aannemelijk gemaakt. Niet aannemelijk is dat de handelsinkoopwaarde moet worden vastgesteld op de koerslijstwaarde van XRay of een zodanig (beperkt) hoger bedrag dat dit tot een verlaging van de verschuldigde Bpm leidt. De naheffingsaanslag is daarom niet tot een hoog bedrag opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
4.16.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.17.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 5 oktober 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 12 maart 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 18 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.18.
Omdat de bezwaarfase afgerond 14 maanden heeft geduurd en daarmee 8 maanden te lang, komt 8/18 deel, derhalve € 667 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 833 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [8] , wat neerkomt op € 233,50. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriële schadevergoeding is weliswaar gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [9] maar de redelijke termijn was op deze datum nog niet overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 667;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 833;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 12 maart 2026.
griffier
rechter
Deze uitspraak is enkel door de griffier ondertekend aangezien de rechter is verhinderd om te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Op basis van NEDC-meetmethode.
2.Artikel 10, lid 8, van de Wet Bpm.
3.Vgl. ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.4 en ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.3.
4.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:601, r.o. 4.4.
7.Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
8.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
9.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.