Belanghebbende, gebruiker van een hotel aan een adres in Middelburg, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €2.103.000 per 1 januari 2023, welke leidde tot aanslagen OZB en rioolheffing voor 2024. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank behandelde het beroep op 16 december 2025.
De rechtbank oordeelde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met de huurwaardekapitalisatiemethode, waarbij vergelijkingsobjecten met huurprijzen tussen €140 en €200 per vierkante meter werden gebruikt. Belanghebbende stelde een lagere waarde van €999.000 voor, maar onderbouwde dit niet cijfermatig. De rechtbank vond de onderbouwing van de heffingsambtenaar overtuigend.
Het beroep tegen de aanslag rioolheffing werd afgewezen omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat bezwaar daartegen was ingediend. Verzoeken om vrijstelling van griffierecht werden afgewezen wegens gebrek aan bewijs van betalingsonmacht. Diverse per e-mail ingediende stukken werden buiten beschouwing gelaten wegens onjuiste indiening.
De rechtbank constateerde een overschrijding van de redelijke termijn met één maand en kende daarom een immateriële schadevergoeding van €50 toe. Tevens werden proceskosten van €23,35 vergoed. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en aanslagen gehandhaafd blijven.