ECLI:NL:RBZWB:2026:11
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) en de toepassing van de herleidingsmethode
In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag van € 4.253 aan Bpm opgelegd, welke door belanghebbende werd betwist. De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 behandeld, waarbij belanghebbende werd vertegenwoordigd door mr. M.U. Sahin en de inspecteur door twee andere gemachtigden. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en dat het beroep ongegrond is.
Belanghebbende had op 13 april 2023 aangifte gedaan voor de registratie van een Audi Q8 en een Bpm van € 5.700 voldaan. De inspecteur stelde echter dat de verschuldigde Bpm € 9.953 bedraagt, wat leidde tot de naheffingsaanslag. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd en of de herleidingsmethode kan worden toegepast. De rechtbank oordeelt dat de herleidingsmethode niet slaagt en dat er geen essentiële gebreken zijn die een vermindering van de Bpm rechtvaardigen.
Daarnaast heeft belanghebbende verzocht om een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met vijf maanden is overschreden en kent belanghebbende een schadevergoeding van € 500 toe. De rechtbank wijst ook proceskosten toe aan belanghebbende, die door de Staat moeten worden vergoed. De uitspraak wordt openbaar gemaakt en partijen worden geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.