ECLI:NL:RBZWB:2026:11
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van € 4.253 opgelegd door de inspecteur, die de aanslag handhaafde na bezwaar. De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 behandeld en beoordeelt of de aanslag terecht en correct is opgelegd.
De kern van het geschil betreft de toepassing van de herleidingsmethode, de aanwezigheid van essentiële gebreken aan de auto en de waardevermindering wegens schade. De rechtbank volgt het oordeel van de Hoge Raad dat de herleidingsmethode niet slaagt. Verder is vastgesteld dat de auto geen essentiële gebreken vertoont, aangezien deze door de RDW is goedgekeurd voor deelname aan het verkeer.
Belanghebbende kon onvoldoende aannemelijk maken dat er sprake was van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank stelt de verschuldigde BPM vast op € 9.953, waarmee de naheffingsaanslag niet te hoog is opgelegd. Wel wordt belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, en een proceskostenvergoeding van € 233,50 voor het indienen van dit verzoek.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding van € 500 aan belanghebbende.