ECLI:NL:RBZWB:2026:11

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
23/12036
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) en de toepassing van de herleidingsmethode

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag van € 4.253 aan Bpm opgelegd, welke door belanghebbende werd betwist. De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 behandeld, waarbij belanghebbende werd vertegenwoordigd door mr. M.U. Sahin en de inspecteur door twee andere gemachtigden. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en dat het beroep ongegrond is.

Belanghebbende had op 13 april 2023 aangifte gedaan voor de registratie van een Audi Q8 en een Bpm van € 5.700 voldaan. De inspecteur stelde echter dat de verschuldigde Bpm € 9.953 bedraagt, wat leidde tot de naheffingsaanslag. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd en of de herleidingsmethode kan worden toegepast. De rechtbank oordeelt dat de herleidingsmethode niet slaagt en dat er geen essentiële gebreken zijn die een vermindering van de Bpm rechtvaardigen.

Daarnaast heeft belanghebbende verzocht om een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met vijf maanden is overschreden en kent belanghebbende een schadevergoeding van € 500 toe. De rechtbank wijst ook proceskosten toe aan belanghebbende, die door de Staat moeten worden vergoed. De uitspraak wordt openbaar gemaakt en partijen worden geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/12036

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende
tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.253 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2].

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het
juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 13 april 2023 aangifte gedaan ter zake van de
registratie van een Audi Q8 50 TDI quattro Pro Line S met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 5.700.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 9.953 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.

Overwegingen

4. Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden
toegepast. Verder is in geschil of sprake is van essentiële gebreken en of een waardevermindering wegens schade in aanmerking moet worden genomen.
Herleidingsmethode
4.1.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Essentiële gebreken
4.2.
De inspecteur stelt dat sprake is van essentiële gebreken gelet op de stelling van belanghebbende dat een koplamp moet worden vervangen in verband met steenslag.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat indien sprake is van essentiële gebreken waardoor met de auto niet kan of mag worden deelgenomen aan het verkeer, geen vermindering van Bpm kan plaatsvinden. Vaststaat dat de auto is goedgekeurd door de RDW en dus deel mag nemen aan het verkeer. Door de RDW is kennelijk na beoordeling vastgesteld dat de auto op essentiële onderdelen voldoet aan de vereisten van de wegenverkeerswetgeving en dat geen sprake is van een essentieel gebrek. Dat een koplamp is beschadigd en die beschadiging alleen kan worden hersteld door de koplamp te vervangen, wil ook nog niet zeggen dat die lamp niet werkt en niet met de auto mag worden gereden. Dat betekent dat belanghebbende bij het berekenen van de vermindering Bpm gebruik kan maken van een taxatierapport.
Waardevermindering wegens schade
4.4.
Beide partijen gaan uit van de taxatiemethode. In dat geval is de koerslijst slechts een uitgangspunt. De getaxeerde waarde zal dan van de koerslijstwaarde verschillen vanwege meer dan normale gebruiksschade en/of andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van de auto ten opzichte van de gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht. [2]
4.5.
Beide partijen gaan als uitgangspunt uit van de koerslijst van Xray die bij het rapport van hertaxatie is gevoegd. Uit deze koerslijst volgt een handelsinkoopwaarde van € 40.316. Belanghebbende heeft gesteld dat in aanvulling daarop rekening moet worden gehouden met een waardevermindering wegens schade.
4.6.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 17.738 en deze voor 72% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Daarnaast heeft hij nog een bedrag van € 4.467 in mindering gebracht wegens “totstandkoming schadepercentage en Xray matrix”. De hertaxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto geconstateerd en opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
4.7.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto destijds bijna vier jaar oud was en 104.756 kilometer had gereden. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Voor de overige waardevermindering heeft belanghebbende geen onderbouwing gegeven en dus ook niet aannemelijk gemaakt. Al hetgeen de inspecteur voor het overige nog met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer evenals de vraag of 72% of 31% van de schade als waardevermindering in aanmerking moet worden genomen.
Hoogte naheffingsaanslag
4.8.
Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 126.124, een handelsinkoopwaarde van € 40.316 en een bruto Bpm van € 31.145, stelt de rechtbank de verschuldigde Bpm vast op € 9.953. Dit leidt ertoe dat de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
4.9.
Belanghebbende heeft op 18 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.10.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 1 september 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 6 januari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond vijf maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 500.
4.11.
Omdat de bezwaarfase afgerond drie maanden heeft geduurd en daarmee niet te lang, komt het volledige bedrag voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële
schadevergoeding van € 500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [3] , wat neerkomt op € 233,50. De Staat moet die kosten vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [4] , maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
3.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
4.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.