ECLI:NL:RBZWB:2025:9134

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
BRE 23/9485
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 22 december 2025, wordt het beroep van eiseres, een B.V., tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst behandeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag van € 3.868 opgelegd voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) en had het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing. Tijdens de zitting op 11 november 2025 zijn zowel de gemachtigde van eiseres als de inspecteur aanwezig geweest.

De rechtbank beoordeelt of eiseres in beroep kan komen tegen de uitspraak op bezwaar. De inspecteur stelt dat alleen [bedrijf] B.V. in beroep kan komen, omdat de naheffingsaanslag aan deze entiteit is opgelegd. De rechtbank oordeelt echter dat eiseres bevoegd is om beroep in te stellen, aangezien zij de belasting op aangifte heeft voldaan.

Daarnaast wordt de vraag behandeld of de naheffingsaanslag vernietigd moet worden vanwege een onjuiste tenaamstelling. De rechtbank concludeert dat, ondanks de onjuiste tenaamstelling, de naheffingsaanslag voldoet aan de vereisten, omdat er geen twijfel bestaat over de belanghebbende.

Verder wordt de vraag besproken of de forfaitaire afschrijvingstabel onverbindend verklaard moet worden. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd en dat de forfaitaire afschrijvingstabel niet onverbindend is. Eiseres heeft ook recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank wijst de kostenvergoedingen toe aan eiseres, waarbij de inspecteur en de Staat ieder voor de helft verantwoordelijk zijn voor de proceskosten. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/9485

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 juli 2023.
1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 3.868 (de naheffingsaanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
1.3.
Eiseres heeft tegen die beslissing beroep ingesteld.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres, mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur: [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak allereerst of eiseres in beroep kan komen tegen de uitspraak op bezwaar. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, beoordeelt de rechtbank ook of de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of eiseres recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en een proceskostenvergoeding. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd. Eiseres heeft wel recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en een proceskostenvergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. [bedrijf] B.V. is bestuurder en enig aandeelhouder van eiseres.
4.1.
Eiseres heeft op 31 maart 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een uit het buitenland afkomstige, gebruikte personenauto van het merk en type Jaguar F-Type, uitvoering 3.0 V6 S Convertible AWD (hierna: de auto) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 1.982. De aangifte is ingediend en ondertekend door [eiseres] B.V. In de aangifte is het RSIN van [bedrijf] B.V. opgenomen.
4.2.
In de aangifte is verder vermeld dat de auto een CO2-uitstoot heeft van 211 gram per kilometer (gr/km) (NEDC) en de bruto Bpm op basis van het voordeligste tarief (1 november 2013) € 16.517 bedraagt. De verschuldigde Bpm is in de aangifte bepaald aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel.
4.3.
Volgens de inspecteur is in de aangifte uitgegaan van een te lage CO2-uitstoot. Volgens hem is de CO2-uitstoot van de auto 281 gr/km (NEDC). De inspecteur heeft de Bruto Bpm op basis van het voordeligste tarief (1 januari 2013) daarom vastgesteld op € 50.137. De voor de auto verschuldigde Bpm heeft de inspecteur, eveneens met toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel, berekend op € 5.850.
4.4.
Rekening houdend met de reeds betaalde Bpm, heeft de inspecteur vervolgens de naheffingsaanslag van € 3.868 opgelegd. De naheffingsaanslag is opgelegd aan [bedrijf] B.V.
4.5.
Vervolgens is bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. In het bezwaarschrift is zowel de naam van eiseres als [bedrijf] B.V. genoemd.
4.6.
De inspecteur heeft het bezwaar afgewezen. De uitspraak op bezwaar is gericht aan de gemachtigde. In de uitspraak schrijft de inspecteur:
“Op 20 oktober 2022 heb ik de brief ontvangen van belanghebbende, gedateerd 19 oktober 2022.
U maakt hierin namens belanghebbende bezwaar tegen de naheffingsaanslag BPM van 9 september 2022 met [kenmerk] van [eiseres] B.V. te [plaats] .”
4.7.
De gemachtigde heeft vervolgens namens eiseres beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.

Motivering

Vraag 1: Kan eiseres beroep instellen tegen de uitspraak op bezwaar?
5. De rechtbank beoordeelt allereerst of eiseres in beroep kan komen tegen de uitspraak op bezwaar. De inspecteur is van mening dat dat niet kan. Volgens hem kan alleen [bedrijf] B.V. in beroep komen tegen de uitspraak op bezwaar, omdat de naheffingsaanslag aan [bedrijf] B.V. is opgelegd. Nu de procedure wordt gevoerd door eiseres, en niet door [bedrijf] B.V. kan reeds om die reden het beroep van eiseres niet slagen, aldus de inspecteur.
5.1.
De rechtbank overweegt dat in artikel 26a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is aangegeven door wie beroep kan worden ingesteld. In het eerste lid onder sub b van die bepaling wordt genoemd dat beroep kan worden ingesteld door “de belanghebbende die de belasting op aangifte heeft voldaan of afgedragen of van wie de belasting is ingehouden”.
5.2.
In dit geval is niet in geschil dat eiseres de belasting op aangifte heeft voldaan. Dat betekent dat eiseres bevoegd is om beroep in te stellen.
Vraag 2: Moet de naheffingsaanslag worden vernietigd vanwege de onjuiste tenaamstelling?
5.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat naheffingsaanslag een onjuiste tenaamstelling bevat. De naheffingsaanslag had namelijk gericht moeten zijn aan eiseres, en niet aan [bedrijf] B.V. De vraag is vervolgens of de naheffingsaanslag met de onjuiste tenaamstelling stand kan houden. Daarover verschillen partijen van mening.
5.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Een onjuiste tenaamstelling kan in het algemeen niet leiden tot een belastingverplichting tenzij de tenaamstelling een zodanig geringe onvolkomenheid bevat dat redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan voor wie de naheffingsaanslag bestemd is. Als er geen twijfel is over de vraag voor wie de naheffingsaanslag bedoeld is, dan voldoet de naheffingsaanslag aan de vereisten.
5.5.
In dit geval is de naheffingsaanslag gericht aan [bedrijf] B.V., de bestuurder en enig aandeelhouder van eiseres. In de aangifte zijn gegevens van eiseres maar ook het RSIN van [bedrijf] B.V. genoemd. Dat RSIN komt overeen met de RSIN als vermeld op de naheffingsaanslag. Naar het oordeel van de rechtbank is het duidelijk om welke belanghebbende het gaat en om welke auto het gaat. Bovendien is dit punt niet eerder ter discussie gesteld en is er kennelijk in de procedure voor het overige ook niet eerder onduidelijkheid over geweest. Eiseres stelling dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd in verband met een onjuiste tenaamstelling slaagt daarom niet.
5.6.
Dat betekent dat ondanks de onjuiste tenaamstelling de naheffingsaanslag voldoet aan de vereisten.
Vraag 3: Moet de forfaitaire afschrijvingstabel onverbindend worden verklaard?
5.7.
Voor dat geval en bij deze stand van de procedure, neemt eiseres het standpunt in dat de forfaitaire afschrijvingstabel ‘vervuild’ is met de restwaarde van btw-auto’s en daarom aangepast moet worden. Ter motivering van dit standpunt verwijst eiseres naar het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2017 [1] . Omdat het nog niet bekend is wanneer en met welk percentage de tabel zal worden aangepast, dient volgens eiseres de tabel onverbindend te worden verklaard en dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd [2] .
5.8.
De rechtbank overweegt dat bij toetsing van één van de in de Wet Bpm opgenomen afschrijvingsmethoden aan artikel 110 VWEU acht dient te worden geslagen op de overige methoden die deze wet biedt en waarop de belastingplichtige zich had kunnen beroepen. Beoordeeld dient immers te worden of de nationale wet waarborgt dat voldoende mogelijkheden bestaan om zeker te stellen dat bij de heffing van Bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte personenauto een reële waardedaling in aanmerking wordt genomen dan wel een waarde wordt geschat die de werkelijke waarde zeer sterk benadert. [3] Ten aanzien van de toetsing van de forfaitaire afschrijvingstabel aan artikel 110 VWEU acht de rechtbank daarom van belang dat de afschrijving in dit geval ook aan de hand van een taxatierapport vastgesteld kan worden. Mede bezien vanuit deze achtergrond en rekening houdend met de omstandigheid dat de forfaitaire afschrijvingstabel als vangnet dient [4] , ziet de rechtbank in hetgeen eiseres heeft aangevoerd over de wijze waarop de in de forfaitaire tabel opgenomen afschrijvingspercentages tot stand zijn gekomen geen aanleiding om te concluderen dat deze tabel Unierechtelijk gezien niet door de beugel kan voor marge-auto’s. [5]
5.9.
De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan eiseres heeft opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
5.10.
Eiseres heeft op 4 september 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
5.11.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 20 oktober 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 22 december 2025. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond vijftien maanden overschreden. Eiseres heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
5.12.
Omdat de bezwaarfase afgerond tien maanden heeft geduurd en daarmee vier maanden te lang komt € 400 (4/15e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.100) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Wel heeft eiseres recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.
6.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt eiseres in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door haar gemachtigde, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 907 en wegingsfactor 0,25 [6] , wat neerkomt op € 226,75. De inspecteur en de Staat moeten, ieder voor de helft, die kosten vergoeden.
6.2.
Eiseres krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriële schadevergoeding is weliswaar gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [7] , maar de redelijke termijn was op deze datum nog niet overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiseres van € 400;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiseres van € 1.100;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 113,37 aan proceskosten aan eiseres;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van € 113,38 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

2.Artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
3.Vgl. Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1666 en Hof Arnhem-Leeuwarden 15 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10516.
4.Artikel 10, lid 8 Wet Bpm 1992.
5.In gelijke zin: Hof ‘s-Hertogenbosch van 15 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1894.
6.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
7.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, ro. 7.1.1 en 7.1.2.