ECLI:NL:RBZWB:2025:9004

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
23/9366
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 3, tweede lid Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hersteluitspraak proceskostenvergoeding en griffierecht in belastingzaak

In deze hersteluitspraak corrigeert de rechtbank Zeeland-West-Brabant een kennelijke fout in het dictum van een eerdere uitspraak van 22 oktober 2025. In die uitspraak was abusievelijk de inspecteur veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht, terwijl dit de Staat had moeten zijn. De rechtbank stelt vast dat uit de motivering duidelijk blijkt dat de Staat als partij veroordeeld had moeten worden.

De zaak betreft drie samenhangende belastingzaken waarin belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de beslistermijn in de beroepsfase. De proceskostenvergoeding wordt verdeeld over de drie zaken, waarbij voor de rechtsbijstand een bedrag van € 75,58 per zaak is toegekend. Daarnaast wordt het griffierecht van € 184 vergoed.

De rechtbank verbetert het dictum door de Staat te veroordelen tot betaling van de proceskosten en vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende. De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen en griffier A.S. Wiskerke-Hovanesian op 17 december 2025 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De rechtbank herstelt de fout en veroordeelt de Staat tot betaling van proceskosten en vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/9366

hersteluitspraak van 17 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Overwegingen

1. De gemachtigde van belanghebbende heeft naar aanleiding van de uitspraak van 22 oktober 2025 (hierna: de uitspraak), die op dezelfde dag digitaal naar partijen is verzonden, aangegeven dat de veroordeling in de proceskostenvergoeding en het griffierecht in deze uitspraak niet correct is.
1.1.
De rechtbank heeft abusievelijk in plaats van de Staat, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten en de teruggaaf van het griffierecht. Bij brieven van 17 december 2025 heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat zij deze fout zal herstellen middels een hersteluitspraak.
1.2.
De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.9 van de uitspraak onder meer overwogen:
“De inspecteur heeft in de zaken met nummers 23/2648 en 23/2649 het oudste bezwaarschrift ontvangen. De uitspraak van de rechtbank wordt gedaan op 22 oktober 2025. Belanghebbende heeft daarom voor de drie zaaknummers tezamen recht op een immateriëleschadevergoeding van € 1.000. Nu de uitspraak op bezwaar is gedaan op 25 juli 2023, is de overschrijding volledig toe te rekenen aan de beroepsfase. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
1.3.
De rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 5.2. en 5.3 van de uitspraak onder meer overwogen:

5.2. Deze zaken zijn op de zitting gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met een andere zaken van belanghebbende (zaaknummers 23/2648 en 23/2649). In elk van deze zaken bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank stelt vast dat deze zaken in de beroepsfase alle hetzelfde geschilpunt betreffen, in elk van de zaken rechtsbijstand is verleend door dezelfde gemachtigde en de werkzaamheden in elke zaak (nagenoeg) identiek zijn geweest. De rechtbank ziet daarom aanleiding deze drie gelijktijdig behandelde zaken aan te merken als samenhangend. [1] Dit brengt mee dat de proceskostenvergoeding moet worden verdeeld over de samenhangende zaken.
5.3.
Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 907 en wegingsfactor 0,25 [2] , derhalve € 226,75. Aan deze zaken wordt 1/3e deel van de totale proceskosten van € 226,75 toegerekend, te weten € 75,58. Tevens krijgt belanghebbende het griffierecht vergoed omdat het verzoek om een immateriëleschadevergoeding is gedaan vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024
1.4.
De rechtbank stelt vast dat de uitspraak een fout bevat. Deze fout houdt in dat in plaats van de Staat de inspecteur veroordeeld is tot betaling van de proceskosten en vergoeding van het griffierecht. Door een kennelijke fout is in het dictum niet de Staat, maar de inspecteur vermeld. De rechtbank is van oordeel dat voor partijen, gelet op de motivering onder 4.9, 5.2 en 5.3 van de uitspraak, duidelijk moet zijn geweest dat de Staat veroordeeld had moeten worden in de voornoemde kosten en dat in het dictum had moeten worden vermeld:

- veroordeelt de Staat tot betaling van € 75,58 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de Staat het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verbetert de fout in het dictum van de uitspraak op de wijze als onder 1.4 omschreven, en verstaat dat de uitspraak aldus verbeterd moet worden gelezen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 17 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.7 Artikel 3, tweede lid van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
2.8 Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.