ECLI:NL:RBZWB:2025:1923
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Herziening kostenvergoeding bezwaar WOZ-waarde woning en afwijzing immateriële schadevergoeding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en de daarbij behorende kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De heffingsambtenaar had de waarde verlaagd en een kostenvergoeding toegekend, maar belanghebbende betwistte de hoogte van deze vergoeding omdat het verkeerde tarief was toegepast.
De rechtbank oordeelde dat de kostenvergoeding te laag was vastgesteld omdat de heffingsambtenaar het tarief van 2023 gebruikte in plaats van dat van 2024. Op basis van een recent arrest van de Hoge Raad werd de vergoeding opnieuw vastgesteld op €1.422,26. Het verzoek tot immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de redelijke termijn niet was overschreden.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het de kostenvergoeding betrof, stelde de vergoeding opnieuw vast, en veroordeelde de heffingsambtenaar tot betaling van griffierecht en proceskosten. De rechtbank benadrukte dat zij niet bevoegd is om te oordelen over de vraag naar betaling aan derden dan belanghebbende.
Uitkomst: De rechtbank stelde de kostenvergoeding voor de bezwaarfase hoger vast op €1.422,26 en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af.