Eiseres ontving sinds februari 2024 een bijstandsuitkering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg. Vanaf 31 maart 2024 verbleef zij feitelijk op haar boot in een andere gemeente, waardoor het college haar bijstandsuitkering per 1 juli 2024 introk wegens het ontbreken van haar hoofdverblijf in Tilburg.
Eiseres voerde aan dat haar verblijf tijdelijk was en dat er zeer dringende redenen waren om bijstand te verstrekken, onder meer omdat zij voor haar vader zorgt en in de nieuwe gemeente geen bijstand kan aanvragen. De rechtbank oordeelde dat het verblijf op de boot niet van tijdelijke aard was, aangezien zij geen concreet voornemen of mogelijkheid had om terug te keren naar Tilburg.
De rechtbank stelde vast dat eiseres haar woonplaats in Tilburg had prijsgegeven en dat het college daarom terecht de bijstandsuitkering had ingetrokken. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.