ECLI:NL:RBZWB:2024:7568
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen verlaging WAO-uitkering na herziening door UWV
Eiser ontvangt sinds 1998 een WAO-uitkering en werd vanaf 29 oktober 2005 geacht recht te hebben op een vervolguitkering, die lager is dan de eerder toegekende loondervingsuitkering. Het UWV heeft vastgesteld dat het de uitkering niet tijdig had aangepast en heeft per 1 juni 2023 de uitkering verlaagd naar het juiste bedrag, zonder terugvordering van te veel betaalde bedragen.
Eiser voerde aan dat hij niet wist dat hij een te hoge uitkering ontving en dat de verlaging financiële problemen veroorzaakt. De rechtbank overweegt dat eiser redelijkerwijs had kunnen weten dat een herziening onvermijdelijk was en dat het UWV bevoegd is om fouten te herstellen. Ook weegt de rechtbank mee dat de uitkering circa zeventien jaar te hoog was en dat het UWV een ruime uitlooptermijn hanteerde.
De rechtbank oordeelt dat de belangenafweging van het UWV voldoet aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het rechtszekerheids- en evenredigheidsbeginsel. De financiële problemen van eiser zijn onvoldoende onderbouwd en hij heeft een half jaar gehad om zijn bestedingspatroon aan te passen.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en blijft de verlaging van de WAO-uitkering per 1 juni 2023 in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding noch griffierechtvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlaging van de WAO-uitkering per 1 juni 2023 wordt ongegrond verklaard en de verlaging blijft in stand.